Nu was het bloedig spoor in 't wijde zichtbaar
3050 Van Zweed en Goot, het zwaardgestorm der mannen,
Hoe onderling de weerbren 't kampvuur wekten.
Nu stapte heen de stoute [568] met de makkers,
De ontroostbre grijs, om op den burcht te trekken;
Nu toog de heerscher Ongentheow ter hoogte.
3055 Hij had 't gevecht van Hygelac ervaren {78},
Des stouten strijdgeweld. Hij telde weinig
Op tegenstand, dat hij vermocht te stuiten
Het varensvolk [569], of voor de zeebezeilers
Zijn goed te schutten met zijn kroost en gade;
3060 En dicht bij zijnen aardwal {79} dook weer de oude.
Vervolging werd verklaard aan 't volk der Zweden,
En Hygelac ter hand gesteld hun standaard [570].
Zij [571] stapten over hun [572] versterkte stelling {80}.
Nu drongen Hredels drommen [573] naar de schildspits {81}.
3065 Aldaar werd Ongentheow tot staan gedwongen,
De grijsgelokte, door der zwaarden lemmer;
Zoodat de volksbeheerscher had te dulden
't Geweld alleen van Eofor. [574] Woedend tastte
Hem [575] Wulf [576] aan, zoon van Wanred, met het wapen,
3070 Dat door den strook het bloed ontsprong in stroomen
Vanonder 't hoofdhaar. Doch hij bleek niet bloode
De grijze Schilfing, maar hij loonde schielijk
Den doodelijken slag op slimmer wijze,
Zoodra zich hemwaart had gekeerd de koning. [577]
3075 Niet kon de kampgewende zoon van Wanred [578]
Den ouden held een tegenhouw bestemmen,
Want deze hieuw hem eerder stuk den helmkam
Op 't hoofd, dat hij genoodzaakt was te nijgen
Met bloed bevlekt en op den bodem bonsde.
3080 Niet was hij toch bestemd om reeds te sterven,
Schoon hem de wonde sloeg, genas hij weder {82}.
Dan Eofor liet, de forsche leenman Hyglacs,
Het breede zwaard, toen nederzeeg zijn broeder,
De aloude reuzenkling, den helm, hun kunstwerk [579],
3085 Inbreken boven op de schildverschansing.
Toen zonk de vorst, de leidsman van de volken;
Hij was ter dood gewond. Er waren velen
Die zijnen broer verbonden, ras hem rechtten,
Daar 't hun [580] was toegevallen 't veld te houden.
3090 Terwijl beroofde de eene ridder d'andren, [581]
Ontrukte aan Ongentheow zijn ijzerrusting,
Het harde zwaard met greep, den helm benevens
En bracht aan Hygelac des grijzen heertuig.
Die nam den tooi en zei hem toe vriendschaplijk
3095 Een loon met zijne liên en deed diensvolgens.
Het kampgestorm vergold de Gootenkoning [582],
Hij Hredels zoon, zooras hij 't huis bereikte,
Aan Wulf en Eofor met onmeetbre schatten.
Aan ieder hunner schonk hij honderdduizend [583]
3100 Aan landerijen, met gedraaide ringen.
Niet onderwond zich eenig man ter wereld
Dat loon te laken [584], sedert zij de lofdaad
Voldongen hadden. Ook bedacht hij Eofor
Alsdan met zijne dochter [585], met zijn ééne,
3105 Den pronk van 't hof, tot pand van zijne hulde.
Ziedaar de veete en vijandschap, den doodshaat
Van 't krijgervolk; waarom ik vreeze koester,
Dat ons bestoken zal der Zweden strijdmacht,
Wanneer zij zullen hooren, dat de heerscher
3110 Van 't leven is beroofd, die land en schatten
Weleer behoedde tegen haatgezinden,
De dappre Schyldings na den dood der helden [586] {83};
Die voorstond 't nut des volks en nog daarboven
Het ridderwerk volbracht. Het ware 't beste,
3115 Ons thans te haasten [587], om den volksbeheerscher
Te zien en naar de branduitvaart [588] te brengen,
Dengene die met ringen ons bedeelde.
Geen enkel stuk alleen zal met den stoute
Verteeren; maar daar ligt die schat van tooisels,
3120 Het reuzig goud zoo koen gekocht, die ringen
Ten laatste nog, betaald met eigen leven:
De vlamme zal 't verzwelgen, 't vuur bedekken; [589]
De man geen tooisels dragen tot gedachtnis;
Geen ringsieraad de jente jonkvrouw hebben
3125 Om haren hals, maar deze zal rouwzinnig,
Van 't goud beroofd, wel meer dan eene reize
Het vreemde land betreên, nu 's legers leidsman [590]
't Gelach aflegde, vreugd en vroolijk drijven.
Hierom wordt menig speer, de morgenklamme [591],
3130 Door vuisten vastgekneld, omhoog geheven
Met handen. Geenszins zal het harpgefluister
De dappren wekken, maar de donkre rave
Zal, vlammend over dooden, veel verhalen,
Den arend melden, hoe het maal haar meeviel,
3135 Toen zij de riffen met den wolf beroofde.» [592]
Zoo zei de koene strijder [593] nare konde
En geenszins loog hij nopens lot en woorden. [594]
Nu rees de ridderstoet; zij trokken treurig [595]
In tranen badend onder 't aargebergte [596],
3140 Het wonder waar te nemen. Daar ontdekten
Ze op 't leger in het zand den levenlooze,
Dengene die hun vroeger ringen gunde.
Zoo was gedaagd de doodsdag voor den dappre,
Zoodat de wapenvorst, de heer der Weders,
3145 Door wondren dood het leven had gelaten.
Vervolgens zagen zij zeldzamer schouwspel [597]:
Den reuzenworm, den woestaard nederliggend
Daar op den bodem tegenover Beowulf. {84}
De vlammendraak, de stugge dreiggestalte,
3150 Was door het vuur gezengd. Hij was wel vijftig
Voetmaten lang op 't leger. Hij vermeide
Zich met den nachtstond in 't genot der luchten [598]
En zeeg dan weder neer en zocht de holte,
Nu lag hij neder, door den dood gekluisterd;
3155 Hij had het eind van 't holverblijf genoten.
Daar stonden kruiken nevens hem en kroezen;
Er lagen schalen met onschatbre zwaarden, [599]
Verroest, doorknaagd, gelijk zij daar al rustten
In 't ingewand der aard sinds duizend winters [600].
3160 Alstoen [601] werd deze reuzig groote rijkdom,
Het goud der voortijdsmenschen, met een toover
Omstrikt, dat niemand raken mocht de ringzaal;
Tenzij dan God, de ware zegekoning,
(Hij is des stervlings steun) aan wien hij wilde
3165 Het had vergund den goudschat op te breken,
Juist zulk een, als hem docht te zijn het voegzaamst.