'k Vernam, dat onverwijld de zoon van Wichstan
Na deze woorden zijn gewonden koning
Gehoorzaamheid bewees, den kampgeknakten,
2845 En dat hij onder 't rotsdak voorwaarts rukte
In 't ringnet, zijn gevlochten oorlogsrusting.
De zegerijke zag bij 't gaan ter zitplaats [530], {74}
De koene ridder, vele schijfsieraden,
Het goudgestraal, zich strekkend langs den bodem,
2850 De wondren langs den wand. Hij zag het leger [531]
Des vlammendraaks, des ouden uchtendvliegers,
Ook kruiken staan [532], der voortijdsmenschen kroezen,
Beroofd van schenkers, met ontrukte tooisels.
Daar rustte menig helm, aloud en roestig,
2855 En menig smuk des arms, met smaak gevlochten.
Licht kan zulk goed, zoo'n goudschat langs den bodem,
Verblinden wie 't ook zij der menschenzonen. [533]
Hij hoede zich, alwie zich wil vrijwaren!
Daar zag hij insgelijks een standerd liggen,
2860 Geheel van goud, hoog boven op de have.
Het was het heerlijkst wonderwerk der handen,
Getrensd door vlechtersvlijt. Een schijn ontschoot er,
Zoodat hij volgen kon de bodemvlakte
En in het rond beschouwen al de schatten.
2865 Van draak geen zweem, hem had toch 't zwaard verdorven.--
Ik hoorde, hoe de krijger [534] in den heuvel
De schatten roofde, 't oud gewrocht der reuzen,
Met schaal en schotels zijnen schoot belaadde
Naar kust en keur. Ook nam hij met zich mede
2870 De banderol, het luisterrijkste teeken.
De degen had geschaad den schatbeheerscher [535],
(Van staal was 't lemmer) hem, die lange jaren
De hoeder was geweest van die juweelen {75}.
Hij had verbreid de heete brandontzetting,
2875 De moordgewiekte, om 't goud, bij middernachten
Totdat hij sneefde door den dood der wapens.
De bode [536] liep, verlangend naar de weerkomst,
Door 't goud genoopt [537]: hem kwelde 't nieuwsverlangen,
Of hij, de hooggezinde, nog den heerscher
2880 Der Weders levend weder zoude vinden,
In zijne kracht gefnuikt, te zelfder stede,
Alwaar hij kortelings hem had verlaten.
Nu vond hij met zijn schat den hoogen meester,
Zijn bloedbegruisden vorst, aan 's levens grenspaal.
2885 Alweer begon hij dien met nat te werpen,
Totdat de punt der woorden door het hulsel
Des boezems binnendrong. En Beowulf zeide,
De grijsaard in zijn zorg: (hij zag den goudschat.)
«Den Heer van alles weet ik dank met woorden,
2890 Den Gloriegod, den eeuwigen Regeerder,
Voor al de schatten, die ik hier beschouwe,
Omdat ik deze vóór mijn stervensstonde
Erlangen mocht ten bate mijner mannen.
Ik gaf mijn oude leven voor den goudschat,
2895 Nu lenig gij de nooddruft van de lieden.
Ik mag voortaan niet langer hier [538] vertoeven.
Beveel den strijdberoemden [539], op te richten
Een heuvelgraf een heerlijk, na de houtmijt [540],
Niet verre van der baren voorgebergte.
2900 Het zal aldaar, mijn mannen tot gedachtnis,
Zich hemelwaarts op Hrones klip [541] verheffen,
Opdat nadien de zeebezeilers 't heeten
De Beowulfshoogte, zij die hunne bodems
Ver henendrijven door der golven duister.»
2905 Vervolgens hief hij van den hals de goudwrong [542],
De boudgestemde vorst; hij gaf den strijder,
Den jongen speergeharden, zijnen hoofdhelm,
Goudgeluw, met zijn ring en wapenrusting
En hoopte, dat het tot zijn heil zou dienen:
2910 «Van heel ons maagschap, van de Waegemundings
Zijt gij de laatste rest; het noodlot rukte
Mijn stamgenooten naar hun lotsbestemming,
De krijgers in hun kracht. Ik volg hun voetspoor.»
Dit was des grijzen jongste woord in 't binnenst
2915 Van zijnen boezem, voor hij koos de vuurmijt,
Het heete strijdgegolf [543]. Vanuit het harte
Ging zijne ziel het heil der heilgen zoeken. [544]