XXXVII.

2780 'k Vernam, dat nu in dezen nood des konings

De rechtgesprongen held zijn spierkracht toonde,

't Geweld, de stoutheid, als hem eigen waren.

Niet telde hij zijn leven {71}, daarentegen

Werd heel de hand verbrand des koenen kampers,

2785 Terwijl hij zijnen bloedverwant verweerde;

Zoodat hij luttel lager stak den strijdgast [523]

De ridder in 't kuras; zoodat de degen,

De glimmend gulden, binnengleed en 't gloeien

Van lieverleên nu aanving na te laten.

2790 Toen kwam de koning weder tot bewustzijn.

Hij zwaaide 't slagmes, scherp, ten kamp geslepen,

Hetgeen hij op het harnas droeg. Nu hakte

De Wederschuts den reuzenworm doormidden.

Hij velde neer den vijand, dreef de ziele

2795 Naar elders [524] heen {72}. Zoo hadden zij de beide

Door 't bloed verbonden eedlen hem gebroken.--

Zoo moet een man in nood, een weerbre wezen--

Den landheer was 't de laatste zegestonde

Voor eigen daân, het jongst bedrijf op aarde.

2800 Alsdan begon de wonde, die de gronddraak

Had toegebracht, te branden, op te zwellen.

Hij werd weldra gewaar, dat doodlijk woeden

Hem golfde door de borst, het gift van binnen.

Voort ging de vorst, totdat hij bij den bergwand

2805 Wijszinnig op de zitplaats nederzakte.

Hij liet den blik op 't werk der reuzen weiden,

Hoe dat het steengewelf, gesteund door pijlers,

In zijnen schoot verschool de grijze grondwoon.

Nu laafde hem met water [525] eigenhandig,

2810 Den kampbebloeden vorst, den wijdgevierden,

De held bij uitstek vroom, den vriend en heerscher,

Des strijdens moe [526]; hij maakte los den hoofdhelm.

En Beowulf zei, gebukt op zijn kwetsuren {73},

De doodelijke wond: (Hij wist ter dege,

2815 Hij had beleefd het tijdsbeloop der dagen,

Het heil der aard; nu was geheel verstreken

Der dagen tal en gansch nabij het doodsuur.)

«Ik zou mijn zoon de legertooisels laten,

Indien mij eenig erfbewaarder ware

2820 Na mij bestemd, vermaagschapt met mijn lichaam. [527]

'k Bestuurde deze stammen vijftig winters;

Van al de buren was geen volksgebieder,

Die zich vermat door middel van de zwaarden

Mij aan te klampen, mij met angst te omklemmen.

2825 Op 't stamgoed sleet ik mijne lotsbestemming,

Bewaarde wel het mijne, zocht geen moordlist,

Noch legde menig eed af [528] onrechtmatig.

Dus mag ik mij, gekweld door stervenskwalen,

Om 't al verheugen; want de Heer der menschen

2830 Zal mij den moord niet wijten van de magen,

Nu dat mijn leven scheiden gaat van 't lichaam.

Begeef u gauw, den schat te schouwen, onder

Het vale rotsgevaart, mijn waarde Wiglaf,

Nu nederligt de worm en weedoornageld

2835 Den sluimer [529] slaapt, beroofd van zijnen rijkdom.

Nu rep u voort, dat ik den schat des voortijds,

De gouden have zie, geheel bestare

De kunstgesteenten, stralend als de hemel;

Opdat ik na de volheid van kleinooden

2840 Het leven des te lichter mag verlaten,

De stamgenooten, die ik lang bestuurde.»

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 123 / 137 题