2780 'k Vernam, dat nu in dezen nood des konings
De rechtgesprongen held zijn spierkracht toonde,
't Geweld, de stoutheid, als hem eigen waren.
Niet telde hij zijn leven {71}, daarentegen
Werd heel de hand verbrand des koenen kampers,
2785 Terwijl hij zijnen bloedverwant verweerde;
Zoodat hij luttel lager stak den strijdgast [523]
De ridder in 't kuras; zoodat de degen,
De glimmend gulden, binnengleed en 't gloeien
Van lieverleên nu aanving na te laten.
2790 Toen kwam de koning weder tot bewustzijn.
Hij zwaaide 't slagmes, scherp, ten kamp geslepen,
Hetgeen hij op het harnas droeg. Nu hakte
De Wederschuts den reuzenworm doormidden.
Hij velde neer den vijand, dreef de ziele
2795 Naar elders [524] heen {72}. Zoo hadden zij de beide
Door 't bloed verbonden eedlen hem gebroken.--
Zoo moet een man in nood, een weerbre wezen--
Den landheer was 't de laatste zegestonde
Voor eigen daân, het jongst bedrijf op aarde.
2800 Alsdan begon de wonde, die de gronddraak
Had toegebracht, te branden, op te zwellen.
Hij werd weldra gewaar, dat doodlijk woeden
Hem golfde door de borst, het gift van binnen.
Voort ging de vorst, totdat hij bij den bergwand
2805 Wijszinnig op de zitplaats nederzakte.
Hij liet den blik op 't werk der reuzen weiden,
Hoe dat het steengewelf, gesteund door pijlers,
In zijnen schoot verschool de grijze grondwoon.
Nu laafde hem met water [525] eigenhandig,
2810 Den kampbebloeden vorst, den wijdgevierden,
De held bij uitstek vroom, den vriend en heerscher,
Des strijdens moe [526]; hij maakte los den hoofdhelm.
En Beowulf zei, gebukt op zijn kwetsuren {73},
De doodelijke wond: (Hij wist ter dege,
2815 Hij had beleefd het tijdsbeloop der dagen,
Het heil der aard; nu was geheel verstreken
Der dagen tal en gansch nabij het doodsuur.)
«Ik zou mijn zoon de legertooisels laten,
Indien mij eenig erfbewaarder ware
2820 Na mij bestemd, vermaagschapt met mijn lichaam. [527]
'k Bestuurde deze stammen vijftig winters;
Van al de buren was geen volksgebieder,
Die zich vermat door middel van de zwaarden
Mij aan te klampen, mij met angst te omklemmen.
2825 Op 't stamgoed sleet ik mijne lotsbestemming,
Bewaarde wel het mijne, zocht geen moordlist,
Noch legde menig eed af [528] onrechtmatig.
Dus mag ik mij, gekweld door stervenskwalen,
Om 't al verheugen; want de Heer der menschen
2830 Zal mij den moord niet wijten van de magen,
Nu dat mijn leven scheiden gaat van 't lichaam.
Begeef u gauw, den schat te schouwen, onder
Het vale rotsgevaart, mijn waarde Wiglaf,
Nu nederligt de worm en weedoornageld
2835 Den sluimer [529] slaapt, beroofd van zijnen rijkdom.
Nu rep u voort, dat ik den schat des voortijds,
De gouden have zie, geheel bestare
De kunstgesteenten, stralend als de hemel;
Opdat ik na de volheid van kleinooden
2840 Het leven des te lichter mag verlaten,
De stamgenooten, die ik lang bestuurde.»