Zoo droeg het zich dan toe op droeve wijze
Voor dezen jongen borst, dat hij ten bodem
2920 Den liefste zag, op d'uitgang van het leven,
In hulpeloozen staat. Ook lag de dooder,
Van 't levenslicht beroofd, de gruwbre gronddraak,
Daar neder, door den stervensnood bedwongen.--
De kromgewonden worm hij kon niet langer
2925 Beschikken over dezen schat van ringen;
Want hem had weggerukt de snee der wapens,
Der hamers smeedwerk, hard, gewet ter worstling,
Zoodat de zwerver, roerloos door de wonden,
Ten gronde nederbonsde naast de schatwoon
2930 En langer niet bij middernacht door 't luchtruim
Klapwiekend waarde en trotsch op zijn bezitting
Zijn wezen toonde. Maar hij werd ten gronde
Gedreven door het vuistgeweld des vorsten.
Het ware wis gelukt aan geen, mijns wetens,
2935 Der mannen in het land, der machtbezitters,
Al mocht hij zijn tot elke daad vermetel,
Van in te gaan op 't snuiven van den gifdraak
En met de hand de ringzaal aan te randen,
Indien hij daar den wachter wakend aantrof,
2940 Genesteld in den berg. Zoo werd aan Beowulf
Zijn gansche puikschat door den dood vergolden, [545]
En bracht het elk van beiden tot den eindpaal
Van 't wufte leven.--'t Leed hierop niet langer,
Of zij verlieten 't houtgewas de lafaards,
2945 De loome trouwverzakers, tien te zamen,
Die welke 't flus niet waagden, met de speren
Te vechten bij den hoogsten nood huns vorsten.
Zij naakten nu beschaamd met hunne schilden
En wapenrustings, waar de grijsaard rustte;
2950 Naar Wiglaf zagen zij. Hij zat de voetheld
Vermoeid nabij den schouder van zijn meester
En wekte hem met water [546]. Niet gelukte 't.
Niet kon hij, gunde hij het hem ook gaarne,
Op aard des hoofdmans leven tegenhouden,
2955 Noch wijzigen in 't minst den wil des Scheppers.
De macht der Godheid wilde gansch het menschdom
Met daân beheerschen; als Hij doet tot heden. [547]
Nu waren gramme woorden bij den jonker
Voor allen licht te ontvangen, die te voren
2960 Verloren hadden hunne heldenkoenheid.
En Wiglaf zeide dan, de zoon van Wichstan,
De held in 't hart bedroefd, de schuwbren [548] schouwend:
«Wel mag, wie waarheid spreken wil, beweren,
Dat uw gebieder, die u bood die schatten,
2965 Dat strijdgewaad, waarin gij staat gestoken--
Toen deze bij den bierdisch menigmalen
Aan zijne halgenooten helm en pantser
Uitdeelde, hij de heerscher aan zijn helden,
De beste [549], die hij, 't zij nabij of verre,
2970 Maar ergens vinden kon--dat die den kamptooi
Geheel en al verdeed [550] op doembre wijze,
Nu dat hem dit gevecht heeft overvallen.
De volksbestuurder had volstrekt niet noodig
Zich trotsch te toonen op zijn tochtgenooten.
2975 Toch gunde God, de gever van de zege,
Dat hij alleen zich wreekte met het lemmer,
Toen hij behoefte had aan heldenkrachten.
Ik kon hem luttel lijfbeschutting schenken [551]
Bij 't strijden, doch begon niettegenstaande
2980 Den maag te helpen boven mijn vermogen.
Te zwakker werd hij [552], toen ik met den zwaarde
Hem wondde, dien belager van het leven {76},
Het vuur ontwelde minder wild zijn binnenst.
Den heer omstuwden al te weinig helpers,
2985 Als de oorlogsstond zich op hem nederstortte.
De schatuitdeeling met de zwaardgeschenken,
Het heele haardgenot en heil, 't zal alles
Ontbreken aan uw maagschap. Elk der mannen,
Verstoken van het landbezit der stammen. [553]
2990 Zal zwerven in het rond, zoodra de ridders
Vernemen uwe vlucht vanuit de verte [554],
Uw roemberoofde daad. De dood is beter
Voor ieder edelling dan 't smaadvol leven.» [555]