2375 De gast alsdan begon zijn gloed te braken,
De weidsche heerenhoven [439] weg te branden.
Den stervling tot ontzetting steeg de vuurschijn.
Zoo haakte hij, de leede luchtbezeiler,
Niets levendigs er overig te laten.
2380 Het woeden van den worm was wijde zichtbaar,
Des doodelijken veete heinde en verre,
Op welke wijze deze kampbekneller
De helden van de Gooten haatte en hoonde.
Dan schoot hij weder weg bij zijne schatten,
2385 De duistre wonderhalle, vóór den dagstond.
Hij had omstrikt met brand de streekbewoners,
Met vuur en vlam. Hij bouwde op zijne bergrots,
Op strijd en wand [440]. Toch faalde die verwachting.
Toen werd naar waarheid ras bericht de schrikmaar
2390 Aan Beowulf, dat zijn eigen dak, het heerlijkst
Der huizen, werd verteerd door 't vlamgewentel,
Der Gooten giftgestoelt [441]. Dit was den goede
In 't harte leed, het hevigst zielelijden.
De wijze waande, dat hij, tegen de oude
2395 Geboden in, den Heer, den eeuwgen Heerscher,
Geweldig had vertoornd. Inwendig woelde
Zijn binnenst bij die duistere gedachten,
Gelijk het geen gewoonte was bij dezen. [442]
De vuurdraak had den volksburg met de meerkust [443]
2400 Daarbuiten, heel 't gebied verteerd door vlammen.
Des zon de wapenvorst, de heer der Weders,
Op wederwraak. Der strijders heul bestelde,
Te klinken heel van staal een kunstig kampschild,
Der helden heer; hij wist het wel, dat boschhout,
2405 Het lindeschild niet vrijde voor de laaie.
Zoo zou nu de edelman, de lang verwachte,
Het einde zien der wisselzieke dagen,
Des levens hier omlaag, en 't monster mede.
Al had het lang [444] bewaard de macht juweelen.
2410 De uitreiker van den ringensmuk versmaadde
Nochtans den ommevlieger aan te tasten
Met strijders, met een uitgestrekte heermacht.
Hij vreesde dit gevecht niet voor zich zelven [445],
Noch stelde hoog de strijdkracht van den vuurworm,
2415 Zijn sterkte en stoutheid; want gevaren wagend
Had hij voorheen bevochten vele kampen
De kampverwoede, sinds hij Hrodgars woning
De zegerijke krijger, had gezuiverd
En in 't gevecht vergruisd het oir van Grendel,
Het heilloos zaad.
2420 Niet kleinst was 't handgemengel [446]
Geweest, alwaar men Hyglac had verslagen,
Toen deze Gootenvorst, der volken heervriend,
Bij 't slaggestorm in Friesland was gestorven,
De zoon van Hredel, door den dronk der zwaarden,
2425 Gedood door 't staal. Van daar ontsnapte Beowulf
Door eigen sterkte en stelde in 't werk de zwemkunst.
Hij droeg alleen op de armen dertig rustings [447]
Bij 't duiken in den vloed. De Franken [448] dorsten
Om 't voetgevecht geenszins praalzuchtig wezen,
2430 Die op hem toe de houten schilden torsten [449],
't Gelukte alleen aan weinigen, om weder
Te ontkomen van den kampheld [450] naar de haardstee.
En Ecgtheows zoon doorzwom de stille strooming,
Een arm verlateling, ten lieden weder, [451]
2435 Waar Hygd hem 't rijk met schat en ringen aanbood
En koningstroon: Zij stelde geen vertrouwen
In haren zoon [452], dat hij het stamgestoelte
Vermocht te houden tegen vreemde heermacht,
Thans nu dat Hygelac was overleden.
2440 Niet zouden zij, verlatenen [453], erlangen,
Op welke wijs dan ook, van dezen eedle,
Dat hij voor Heardred worden zou de heerscher,
Ofwel het koningschap zich wilde kiezen.
Nochtans hij schraagde hem aan 't hoofd der schare
2445 In gunst en eer met goedgezinde lessen,
Tot Heardred ouder werd, beval den Weders. [454]
Hem [455] hadden langs de watren bannelingen, {61}
De zonen Ochters [456], opgezocht. Zij hadden
Zich tegen hunnen Schilfingheer [457] vergrepen,
2450 Den waardsten zeevorst hunner, welke schatten
Deelden in 't Zwedenrijk, een roemvol koning.
Dit zou voor Heardred zijn des levens grenspaal:
Voor zijn onthaal [458] ontving de zoon van Hyglac
De doodswond door het zwaaien van de zwaarden.
2455 Nu rukte weer terug, de woon te zoeken,
Sinds Heardred nederzeeg, de zoon van Ongentheow. [459]
Hij liet den heerscherszetel Beowulf houden,
Het volk [460] gebieden. 't Was een beste koning! [461]