Doch op vergelding voor den val des vorsten [462]
2460 Was hij [463] bedacht in later dagen. Eadgils
Gewerd hij tot een vriend, den vreugdeloozen.
Hij steunde langs de wijde zee met leger,
Met weerbren en met wapens Ochters afkomst.
Sinds wreekte die [464] zijn koud en zorgvol dolen {62}
2465 En hij ontrukte 't leven aan den rijksheer [465].
Alzoo had Ecgtheows zoon bestaan elk strijden, [466]
Elk slimmen slag en elk geweldig waagstuk,
Tot dezen eenen dag, waarop hij diende
Te worstlen met den worm. Van woede blakend
2470 Begaf, als een der twaalf, de Gootenkoning
Zich heen, den draak te zien. Hij had vernomen,
Hoe was verwekt de haat, der helden onheil,
Want door ontdekkers [467] hand was 't heerlijk pronkvat
Geraakt in zijnen schoot. Hij was der schare
2475 Dertiende strijder die 't ontstaan der twisten
Berokkend had. Geboeid en bang in 't harte
Zou deze hun de hooge vlakte duiden.
Dus toog hij tegen wil en wensch er henen,
Tot waar hij wist te zijn gezegde grondwoon,
2480 De grafstee in den grond, nabij de baren,
Het kolkgeklots. Zij was gevuld inwendig
Met smuk en draadjuweel. De ongure wachter,
De reede strijder, hoedde steeds den rijkdom,
Grijs onder zijnen grond. Niet licht te erlangen
2485 Was dit een zaak voor wie het zij der menschen.
Daar zat ter klip de kampgeharde koning,
Terwijl hij heil zijn haardgenooten wenschte,
Der Gooten goudvriend. 't Harte was hem weevol,
Onstadig, stervenszwaar. Zeer na was 't noodlot,
2490 Dat groeten zou den grijs, den schat der ziele
Opzoeken zou en 't lijf van 't lichaam scheiden.
Niet langer zou voortaan de levensadem
Des edelmans omhuld zijn met den vleesche.
En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
2495 «Ik heb in mijne jeugd wel menig heerstorm
En oorlogstijd gehard; mij heugt het gansche.
Ik telde zeven winters, toen de schatheer,
Der schare vorst en vriend, mij aan mijn vader
Ontnam; mij hield en had de heerscher Hredel.
2500 Hij gaf me goud en maal, gedacht de maagschap.
Ik was voor hem op 't huis, zoolang hij leefde,
Geen minder man dan een van zijne zonen,
Dan Herebald en Hadcyn of mijn Hyglac.
Den oudsten [468] werd op onverdiende wijze
2505 Gespreid het doodsbed door des broeders daden,
Toen Hadcyn hem vermoordde met den hoornboog,
Door middel van den pijl zijn vriend en meerdre [469],
Toen hij zijn maag, het doelwit missend, doodde,
De broer zijn broer, met bloedbespatte werpspies.
2510 Dat was een onverzoenbaar [470] wapenmisdrijf,
Begaan te roekeloos en geestafmattend
Voor het gemoed [471]. Des ondanks moest de jonker
Uit deze wereld ongewroken wijken:
Want gruwlijk is 't den grijsaard om te ervaren,
2515 Dat ginds zijn zoon [472], de jonge, rijdt aan 't galghout.
Dan moge hij 't weemoedig lied [473] verheffen,
Den naren zang, wanneer zijn bloed daar bengelt,
De raaf tot lust, terwijl hij geene redding
Verleenen kan, bejaard en hoog van leeftijd.
2520 Hij zal zich steeds bij elke morgenstonde
De heenvaart heugen van zijn vroegstgeboren [474];
Niet wenscht hij nog een ander erfbewaarder [475]
Te ontbeiden in het binnenst van het burgslot,
Nu de een met stervensdwang ervoer den doodslag.
2525 Dan in de woon des zoons [476] bestaart hij zorgvol
De woeste hal, een wijkplaats voor de winden,
Beroofd van 't feestgeruisch. Hij rust de rijder,
De held, in 't heuvelgraf {63}. Geen harpgefluister,
Geen juichtoon heerscht in 't huis, gelijk voorhenen.