XXXII.

Noch eigenmachtig werd tot gast des monsters

2280 Noch des gewild {59} hij, wien het zeer zou schaden [421];[422]

Maar door het nijpen van den nood ontslipte

Een slaaf van zekren heldenzoon de slagen

Des haats, van huis beroofd, en borg zich binnen.

De schuldgedrukte schouwde dra in 't ronde;

2285 Ofschoon den vreemde schrik en zielsontzetting

Bemachtigd had [423], bemerkte toch de ellendige,

De armzaalge man, op zoek naar eenen ingang [424],

Toen hem de vrees beving, het gulden vaatwerk [425] {60}.

Er waren vele zulke voortijdsschatten

2290 In 't hol, gelijk in lang verdwenen dagen

Ik weet niet welke man 't onmeetlijk erfgoed

Eens eedlen stams, verdiept in zijn gedachten,

Aldaar verborgen had, het dierbaar pronkwerk.

Hen allen had de dood voorheen verdreven,

2295 En nu een enkel nog der schaargenooten,

Die 't langst er waarde, een vriendbeweenend wachter,

Verlangde dit alleen nog uit te stellen:

d'Onmeetbren schat slechts kort te mogen smaken. [426]

Er rees geheel gereed een doodenheuvel

2300 In 't veld omhoog, niet verre van de baren,

Een nieuwe nog, nabij het voorgebergte.

En wel beveiligd door versperringswerken.

Der kostbaarheên en ringen hoeder voerde

Er dan den loggen last van bladgoud binnen

2305 En sprak in weinig woorden:

«Wil, o aarde,

Behoeden, daar de helden dit niet konden,

Het eigendom der eedlen. Immers dappren

Ontvingen dit van u [427] in vroeger tijden.

De lansdood rukte weg, het levenseuvel,

2310 Elk moedig krijger onder mijne mannen,

Die 't leven lieten, 't heil des hemels [428] zagen.

En niemand heb ik nog, die draagt den degen,

Of wischt den gulden kroes, de weidsche drinkschaal;

Naar elders is verreisd de ridderschare.

2315 Den harden helm, gesmukt met goudgesmijde,

Ontvallen zal hem spoedig zijn versiering:

De dienaars slapen, die het oorlogsmasker

Herstelden; insgelijks is nu het strijdhemd,

Dat bij 't geworstel boven 't schildgeschilfer

2320 Den beet van 't staal ontbeidde, stuk gebroken

Na zijnen heer. Niet zal 't geringde harnas

Nog verre, na den val des oorlogsvorsten,

Den helden gaan ter zij. Geen harpeweelde,

Geen vreugde van 't gezellig hout! [429] Geen havik,

2325 Geen wakkre, klapwiekt langs de woning henen.

En 't rappe ros het slaat niet meer de slotplaats.

Zoo sleepte van 't geslacht, het levensvolle,

Een harde dood er velen verre henen.» [430]

Dus somberstemmig kermde hij door kommer,

2330 Na allen nog alleen, en rouwde lustloos

Bij dag en nacht, totdat hem sloeg om 't harte

De deining van den dood.

De schoone schatten

Vond openstaan de aloude schemervijand,

Die barnend bergen [431] zoekt, de naakte nooddraak,

2335 En ommevliegt des nachts met vuur omvangen.

Hem hadden wijd ontwaard de grondbewoners.

Hij zoekt de schatten binnen in den bodem,

Alwaar hij wacht houdt bij de heidenhave,

Aan winters oud. Niet beter zal 't hem wezen [432].

2340 Zoo had driehonderd jaar de volksverheerder

't Gezegde goudhuis in den grond bezeten,

't Onmeetbre, tot hem gene man [433] vertoornde

In zijn gemoed. Die bracht nu bij zijn meester [434]

De gouden vaas en bad den vorst om vrede.

2345 Zoo werd 't juweel ontdekt, de ringenrijkdom

Geschend, de wensch des armen mans bewilligd.

De meester staarde op 't oud gewrocht der menschen

Voor de eerste maal. Als 't monster weer ontwaakte,

Was 't strijdgeding vernieuwd. De stoutgestemde

2350 Berook de rots en vond des vijands voetspoor,

Die door geheime hulp te gauw ontglipte,

Ofschoon niet verre van het hoofd des vuurdraaks.

Licht mag zoo met het leven leed, verbanning

Ontgaan hij, die behoudt de gunst des Heeren. [435]

2355 Nu speurde gretig langs den grond de hoeder

Der have; want hij wou den dief ontdekken,

Die hem bereid had in zijn rust die kwelling,

En blakend, toorn gezwollen zwierf van buiten

Hij menigmalen om den heuvel henen.

2360 Geen wezen was in deze woestenije;

Nochtans hij juichte toe den kamp, het krijgswerk. [436]

Soms stoof hij naar den berg en zocht den beker;

Hij merkte dit weldra [437], dat een der menschen

Had weggekaapt het goud, de keurjuweelen.

2365 Ter nauwernood vermocht de schatbeschutter

Te wachten tot de schemer was verschenen

Des heuvels hoeder was ontbrand in woede;

De vijand wou met vuur en vlam vergelden

Den kostbren kroes. Nu was de dag verdwenen,

2370 Den draak naar wil en wensch. Niet langer wilde

Hij hokken in het hol, maar vloog met vlammen,

Met vuur gewapend weg. 't Begin was gruwzaam

Den lieden in het land, gelijk het spoedig

Met scha zou einden voor hun schattenplenger [438].

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 118 / 137 题