Zoo leefde naar het voegt de volksgebieder.
Volstrekt niet ging mij 't loon, de prijs verloren
Der heldenkracht, maar Healfdeens zoon bedeelde
Met zijne schatten mij, tot mijn beschikking.
2205 Die haak ik u te brengen, heer der mannen,
Eerbiedig aan te biên. Geheel mijn hulde
Zij wendt zich weder uwaart [402] {55}. Hoofdverwanten
Bezit ik luttel meer, tenzij u, Hyglac [403].»
Het everbeeld gebood hij in te brengen,
2210 De hoofdbanier [404] {56}; het kampbeheerschend hoofdscherm,
Het stalen harnas met uitstekend strijdzwaard,
En sprak dan 't woord:
«Hrodgar, de wijze koning,
Gaf mij dit krijgsgewaad; hij wenschte woordlijk,
Dat ik vervolgens zei diens wedervaren,
2215 En hij verhaalde, dat de heer der Schyldings,
Vorst Heorogar [405], het lange had bezeten.
Toch wilde die aan Hereward, den koenen,
Zijn zoon, niet schenken deze borstbeschutting,
Al schatte hij hem hoog. Gebruik het heilvol.»
2220 'k Vernam, dat na die schatten vier genetten,
Gelijk en appelvaal, op 't voetspoor [406] volgden.
Van ros en have deed hij Hyglac hulde.--
De magen moeten zich alzoo gedragen,
Geen net der valschheid voor den andre vlechten,
2225 Noch 's makkers dood bereiden door een toover.
Aan Hygelac, den weerbren in 't geworstel,
Aan dezen was de neef geheel genegen.
Elk hunner was des andren heil gedachtig.--
Ik hoorde, dat hij schonk aan Hygd den halsring [407],
2230 Het kunstig wonderwerk, waarmee hem Welchtheow,
De vorstendochter, had bedeeld; daarboven
Een drietal slanke, goudgezaalde dravers.
Versierd was sinds na 't bootgeschenk haar boezem.
't Is zoo, dat Ecgtheows zoon zich onderscheidde,
2235 De kampvermaarde man, door dappre daden.
Hij leefde volgens eer en velde geenszins
De met hem aangezeten haardgezellen.
Niet was zijn inborst wild: de slaggeduchte
Bewaakte met de meeste macht eens menschen
2240 De reuzengave, hem door God geschonken [408] {57}.
Hij leefde lang verguisd, zoodat de Gooten
Hem in 't geheel niet hielden voor heldhaftig,
En hem de heer der manschap bij de meebank
Iets koens niet waardig keurde. Zeker waanden
2245 Zij, dat hij was te loom, een weerloos eedle.
Een keer gewerd den luisterrijken kamper
Voor elken hoon. [409] De schuts der ridders, Hyglac,
De kampberoemde koning, liet het lemmer,
Met goud belegd, van Hredel binnenbrengen.
2250 Alsdan bevond zich in den vorm van slagzwaard
Geen waarder goudgewrocht bij al de Gooten.
Hij lei 't in Beowulfs schoot en schonk een landmaat [410]
Van zeven duizend, burcht en koningszetel.
Hun beiden, bij het volk, was 't land vervallen
2255 Met grondbezit en recht op 't erfgoed rustend.
Den tweede [411] viel, den beste van geboorte,
Er meer, de breede koningsmacht ten beste.-- [412]
Dit viel vervolgens bij de strijdonstuimen [413]
In later dagen voor: Sinds Hyglac neerlag,
2260 En Heardred [414] het heirzwaard onder 't schilddek
Geworden was tot dooder--daar de Schilfings [415],
De stoute krijgerhelden, hem bestormden
In 't midden van zijn zegevolk [416] en dezen,
Den neef van Hererik [417], door kamp benarden--
2265 Sinds raakte 't breede rijk in Beowulfs handen {58}.
Wel vijftig winters [418] heerschte deze heilvol,
(Toen was 't een wijze vorst, een grijze goedsheer)
Totdat alsdan begon bij duistre nachten
Een draak te heerschen, die een schat behoedde,
2270 Een steile steenrots op de hooge heide.
Een steegje lag beneên, vermoed door niemand.
Een dienstman, 'k weet niet welke, dook er binnen;
Begeerlijk greep hij naar het goed des heidens [419],
Zijn vuist ontvoerde een vaas met gelen goudglans.
2275 Nochtans hij gaf ze in later tijd niet weder,
Al had hij door een dievenlist den hoeder
Beslopen in zijn slaap. Gewaar zou worden
't Gewest der mannen, dat hij was in woede. [420]