2085 Dan mag 't hierom den heer der Headobarden [385]
En ieder krijger zijner lieden krenken,
Als hij de zaal betreedt met zijne gade [386],
En van de Denen daar een edel krijgsknaap
De schare heeft bediend. [387] Aan dezen schittert
2090 Des vaders heertuig [388], hard, verrijkt met ringen,
De kostbre have van de Headobarden,
Zoolang zij heerschten over hunne wapens;
Totdat zij wierpen in het schildgeworstel
De lieve makkers met hun eigen leven.
2095 Dan spreekt bij 't bier hij, die bespeurt de halsboot,
Een grijze lansheld [389], wien geheugt het gansche,
Der trouwen speerdood, (toornen zal zijn ziele)
En duisterzinnig vangt hij aan de denkwijs
Des jongen krijgerkonings [390] te ondertasten
2100 Door zijner ziele zucht, en dan de kampkwaal
Te wekken en hij spreekt zich uit in woorden:
«Kunt gij, mijn vriend, nog dezen vochtel kennen,
Dien onder 't legermasker voor het laatste
Uw vader in 't gevecht eens met zich voerde.
2105 De kostbre kling, als hem de Denen doodden,
Als 't veld behielden na den val des helden
(Sinds schoot de wraak tekort) de koene Schyldings?
Nu stapt de zoon van eenen zijner moorders
Hier door de halle, trotsch op zijne tooisels,
2110 Nu praalt hij op den moord en draagt het pronkzwaard,
Hetgene gij rechtmatig moest bezitten.»
Zoo maant, herinnert hij hem telken male
Met stekelwoorden, tot de stond eens aanbreekt,
Dat bloedig inslaapt bij den beet der zwaarden
2115 En levenloos de dienaar van de vrouwe [391]
Voor 's vaders daân. Vandaar ontduikt de tweede [392]
Nog onverlet, hij kent het land ter dege.
Dan zal der ridders eed van beide zijden
Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in Ingeld,
2120 En koeler wordt de liefde tot zijn weerhelft [393]
Door 't zorggezwalp. Des houd ik niet de hulde,
Der Headobarden heertrouw tot de Denen
Voor argeloos, {53} noch vast gevest hun vriendschap. [394]
Ik wil nu verder weer van Grendel spreken,
2125 Opdat u gansch verneemt, o goudbegever,
Hoe voorts verliep het vuistgestorm der kampers.
Zoodra 't juweel der transen [395] was getrokken
Langs 't aardrijk, kwam de vreemdeling, de kwade,
De leede nachtbelager ons bestoken,
2130 Alwaar wij wel te moe de zaal bewaakten.
Verderflijk viel een kamp ten deel aan Hondscio [396],
Geweldig sterven aan den doodbestemde.
Hij sneefde 't eerst de staalomgorde strijder:
Met zijnen muil werd Grendel tot den moorder
2135 Van mijn vermaarden maat. Hij zwolg het lichaam
Des lieven mans geheel. Met leege handen
Nochtans verlangde toen nog niet bloedtandig
De wurger, tuk op moord, de woon te ontwijken;
Maar waagde zich aan mij, de woeste aan krachten.
2140 Vuistgretig greep hij toe. Hem hing een handschoen [397],
Zeer wijd en wonderbaar, door tooverbanden
Bevestigd. Deze was met kunst vervaardigd
Uit drakevellen door des duivels toedoen.
Hij wilde mij, de gruwbre wanbedrijver,
2145 Met menigeen daarbinnen schuldloos bergen.
Niet kon hij 't evenwel, zoodra ik woedend
In volle lengte rees. Te lang zal 't wezen
Te zeggen, hoe ik dezen volksverheerder
Voor ieder euveldaad het loon uitdeelde.
2150 Ik heb, mijn vorst, uw volk [398] aldaar verheerlijkt
Door 't wapenfeit. Hij droop dan weg en luttel
Genoot hij nog de vreugde van het daarzijn.
Zijn rechterhand nochtans verried zijn sporen
In Heort, en hoonvol zonk, in 't hart verbitterd,
2155 Hij naar den bodem van de zee te zamen.
De Schyldingsvriend beloonde dezen lijfkamp
Mij mild met goud en menigte juweelen,
Nadat de morgenschemer was verschenen,
En wij gezeten waren aan het feestmaal.
2160 Daar was gezang en scherts. De grijze Schylding
Vertelde uit vroeger tijd naar menig vorschend.
Hij tokkelde af en toe, de kampgeduchte,
De zoete harp, het hout der vriendenvreugde.
Te met ontspon hij sproken waar en weevol,
2165 Ofwel de grootgezinde koning zette
Een wonderbaar verhaal uiteen naar waarheid. [399]
Dan weer begon de grijze wapenvoerder,
Door ouderdom gekluisterd, naar de kampkracht
Te zuchten zijner jeugd. Hem bruiste 't binnenst,
2170 Wanneer, door winters wit, hij 't aantal nadacht. [400]
Wij vonden zoo gezelschapsvreugd daarbinnen
Den ganschen dag [401], tot daalde een tweede nachtstond
Op 't menschenkroost. Toen was alweer de moeder
Van Grendel ras gereed tot leedvergelding.
2175 Daar toog zij troosteloos: de slagdood sleepte
Haar zoon daarheen, de wapenhaat der Weders.
Zij wreekte haren zoon 't ongure zeewijf:
Een ridder doodde zij op ruwe wijze.
Voor Ascher ging te loor, den grijzen raadsman,
2180 Den langbeproefden, 't licht. De Denenlieden
Zelfs konden niet, nadat de morgen naakte,
Verbranden in den brand den levenlooze,
Noch laden op de mijt den lieven makker:
Zij had ontvoerd in haren arm het lichaam
2185 Des vijands {54} onder aan den val des bergstrooms.
Voor Hrodgar was 't het wreedste aller weeën,
Dat trof sinds langen tijd den volksgeleider.
Mij bad de koning leedvol bij uw leven,
Dat 'k waagde een ridderwerk in 't golfgewentel,
2190 Blootstelde mijn bestaan, iets dappers dede.
Het loon beloofde hij. Ik vond vervolgens
Den wilden, gruwelijken grondbewaker
Der wijdbekende kolk. Een tijdlang waren
Wij handgemeen. Bloedschuimig sloeg de meervloed.
2195 Toen hieuw ik af het hoofd in gene grondwoon
Aan Grendels moeder met het wichtig wapen.
Ik droeg van daar zoo licht niet weg het leven.
Nog was ik niet bestemd om dan te sterven;
Maar mij beschonk alweer de schuts der ridders
2200 Met macht van kostbaarheên, de zoon van Healfdeen.