Nu ging de held [372] met zijne handgezellen
Zelf langs het zand, den zoom der zee betredend.
2015 De wereldtoorts, de zonne, scheen zich wendend
Vanuit het Zuid [373]. Zij zetten voort de voetreis
En schreden duchtig door, tot waar zij wisten,
Dat binnen in den burcht de hulp der helden,
Verwinnaar Ongentheows [374], de wapenkoning
2020 De jonge, kampgeduchte, ringen deelde.
Dan ras was Beowulfs komst bericht aan Hyglac:
Dat op het erf aldaar de stut der stouten,
Zijn schildvriend, hofwaarts kwam geschreden, levend
En gaaf van 't wapenspel. Nu werd er spoedig,
2025 Gelijk de vorst gebood, een zaal van binnen
Den voetbereisden gasten opgeredderd.
Daar zat hij nu [375] hem zelven tegenover
Hij, welke vele kampen had bevochten,
Maag over maag, nadat de mannenkoning [376]
2030 In hooge taal den trouwe had verwelkomd
Met weidsche woorden. Met de medekannen
Begaf zich Hareds dochter [377] langs den halbouw;
Zij stond den lieden lief ten dienst en stelde
Ter hand de wijnschaal aan de Heide-Gooten.
2035 En Hygelac begon ter hooge halle
Op hoofsche wijs zijn huisvriend te ondervragen.
De lust hem ledebraakte [378], welke waren
Geweest de tochten van de Water-Gooten.
«Hoe ging het u op reis, mijn goede Beowulf,
2040 Toen ge onverwachts besloten waart, om verre
Den strijd te zoeken over 't zilte water,
Den kamp in Heorot? Hebt gij dan bij Hrodgar,
Den hoogen heerscher, eenigszins verholpen
Het wijdberuchte wee? Om deze reden
2045 Verduwde ik leed bij 't deinen van de zorgen.
Den tocht des waarden mans betrouwde ik weinig;
Ik bad u menigwerf, dat gij den moordgeest
Volstrekt niet zoeken zoudt en in 't bestrijden
Van Grendel liet begaan den Zuid-Deen zelven.
2050 God weet ik dank, u welbewaard te schouwen.»
En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
«o Heerscher Hygelac, niet bleef verholen
Aan menig man het wijdvermaarde treffen,
Wat oorlogstijd er tusschen mij en Grendel
2055 Ontstond op gene stede, waar hij weeën
In groote menigt schiep den Zege-Schyldings
En hoon voor 't leven, 'k Heb het al gewroken,
Dat geen van Grendels broed op aard mag brallen
Op gindschen uchtendgil [379], die veenomvangen
2060 Het langst van 't hatelijk geslacht zal leven.
Eerst ging ik Hrodgar groeten in de ringzaal;
Dra wees de hooggeroemde zoon van Healfdeen
Mij naast zijn zoon een zetel, bij 't vernemen
Van mijn ontwerp. De schare was in weelde;
2065 Nog nooit ontwaarde ik onder 't hemelwulfsel
Bij hallevrienden grooter medevreugde.
Bij wijlen ging der volken vreeverwante [380],
De statige vorstin, langs heel de halle,
Aanmoedigend bij 't maal de jonge mannen,
2070 En menig reis bedeelde zij een ridder
Met ringsmuk, eer zij heenging naar de rustbank.
De dochter Hrodgars [381] bood somtijds de bierschaal
Den hoofden aan, den helden aan de slagspits.
Ik hoorde deze door de hallegasten
2075 Freaware heeten, waar zij knopjuweelen
Den helden gaf. De jonge, goudgehulde
Was toegezegd den eedlen zoon van Froda [382].
Het had den Schyldingsvriend [383] zoo goed geschenen.
Den hoeder van het rijk, en tevens rekent
2080 Hij 't eene winst, dat hij door deze weerhelft
De moordwraak, vele veeten mocht beslechten. [384]
Niet zelden, maar te dikwerf rust de moordspeer
Een korte wijle na den val des konings, {52}
Al mag dan ook de bruid uitmuntend wezen.