XXIX.

Nu ging de held [372] met zijne handgezellen

Zelf langs het zand, den zoom der zee betredend.

2015 De wereldtoorts, de zonne, scheen zich wendend

Vanuit het Zuid [373]. Zij zetten voort de voetreis

En schreden duchtig door, tot waar zij wisten,

Dat binnen in den burcht de hulp der helden,

Verwinnaar Ongentheows [374], de wapenkoning

2020 De jonge, kampgeduchte, ringen deelde.

Dan ras was Beowulfs komst bericht aan Hyglac:

Dat op het erf aldaar de stut der stouten,

Zijn schildvriend, hofwaarts kwam geschreden, levend

En gaaf van 't wapenspel. Nu werd er spoedig,

2025 Gelijk de vorst gebood, een zaal van binnen

Den voetbereisden gasten opgeredderd.

Daar zat hij nu [375] hem zelven tegenover

Hij, welke vele kampen had bevochten,

Maag over maag, nadat de mannenkoning [376]

2030 In hooge taal den trouwe had verwelkomd

Met weidsche woorden. Met de medekannen

Begaf zich Hareds dochter [377] langs den halbouw;

Zij stond den lieden lief ten dienst en stelde

Ter hand de wijnschaal aan de Heide-Gooten.

2035 En Hygelac begon ter hooge halle

Op hoofsche wijs zijn huisvriend te ondervragen.

De lust hem ledebraakte [378], welke waren

Geweest de tochten van de Water-Gooten.

«Hoe ging het u op reis, mijn goede Beowulf,

2040 Toen ge onverwachts besloten waart, om verre

Den strijd te zoeken over 't zilte water,

Den kamp in Heorot? Hebt gij dan bij Hrodgar,

Den hoogen heerscher, eenigszins verholpen

Het wijdberuchte wee? Om deze reden

2045 Verduwde ik leed bij 't deinen van de zorgen.

Den tocht des waarden mans betrouwde ik weinig;

Ik bad u menigwerf, dat gij den moordgeest

Volstrekt niet zoeken zoudt en in 't bestrijden

Van Grendel liet begaan den Zuid-Deen zelven.

2050 God weet ik dank, u welbewaard te schouwen.»

En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:

«o Heerscher Hygelac, niet bleef verholen

Aan menig man het wijdvermaarde treffen,

Wat oorlogstijd er tusschen mij en Grendel

2055 Ontstond op gene stede, waar hij weeën

In groote menigt schiep den Zege-Schyldings

En hoon voor 't leven, 'k Heb het al gewroken,

Dat geen van Grendels broed op aard mag brallen

Op gindschen uchtendgil [379], die veenomvangen

2060 Het langst van 't hatelijk geslacht zal leven.

Eerst ging ik Hrodgar groeten in de ringzaal;

Dra wees de hooggeroemde zoon van Healfdeen

Mij naast zijn zoon een zetel, bij 't vernemen

Van mijn ontwerp. De schare was in weelde;

2065 Nog nooit ontwaarde ik onder 't hemelwulfsel

Bij hallevrienden grooter medevreugde.

Bij wijlen ging der volken vreeverwante [380],

De statige vorstin, langs heel de halle,

Aanmoedigend bij 't maal de jonge mannen,

2070 En menig reis bedeelde zij een ridder

Met ringsmuk, eer zij heenging naar de rustbank.

De dochter Hrodgars [381] bood somtijds de bierschaal

Den hoofden aan, den helden aan de slagspits.

Ik hoorde deze door de hallegasten

2075 Freaware heeten, waar zij knopjuweelen

Den helden gaf. De jonge, goudgehulde

Was toegezegd den eedlen zoon van Froda [382].

Het had den Schyldingsvriend [383] zoo goed geschenen.

Den hoeder van het rijk, en tevens rekent

2080 Hij 't eene winst, dat hij door deze weerhelft

De moordwraak, vele veeten mocht beslechten. [384]

Niet zelden, maar te dikwerf rust de moordspeer

Een korte wijle na den val des konings, {52}

Al mag dan ook de bruid uitmuntend wezen.

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 115 / 137 题