XXVIII.

1935 Nu kwam aan 't strand der dappren stoet [359], der helden

Zij droegen 't ringnet, hun gevlochten rusting

Der leden. Weder sloeg de landwacht gade

De komst der krijgers, als hij deed voordezen.

Niet met gegrauw begroette hij de gasten

1940 Vanaf de rotskaap, maar hij reed hen tegen

En zei, dat zij, de glansomgeven gasten, [360]

Den Wederlieden welkom scheepwaarts schreden.

Toen werd op 't oeverzand de ruime zeeboot

Met strijdgewaad bevracht, de stalen steven,

1945 Met smuk en paarden. Boven Hrodgars puikschat

Verhief de mast zich. Beowulf schonk den hoeder [361]

Van zijne boot een zwaard, met goud gebonden,

Dat deze sedert des te meer ter meebank

Werd hooggeschat om dit geschenk, dit erfzwaard.

1950 Nu klom hij op het zeeschip, om te klieven

Den diepen vloed, verliet het land der Denen.

Een zeegewaad, een zeil, gesnoerd door zeelen,

Bevond zich aan den mast. Het meerhout dreunde

En langs den vloed belemmerden de winden

1955 Den zeebeschrijder niet in zijne reize.

De golvenganger toog; schuimhalzig scheerde

Hij langs de baren voort, 't gebonden vaartuig,

Langs 't zeegetuimel; tot men zag de klippen

Der Gooten met de goedbekende kapen.

1960 Naar boven drong de boot en windomwarreld

Stond zij nu op het strand. De havenhoeder

Bevond zich onverwijld gereed aan 't water,

Hij welke, wachtend op de lieve lieden,

Zoo menigmaal te voren in de verte

1965 Had uitgekeken bij de waterkolken.

Hij meerde vast het breedgeboezemd vaartuig

Op 't strand met ankertouw, opdat de stuwing

Des vloeds hun niet de kostbre kiel ontvoerde.

Hij heette toen der edellieden have,

1970 Het keurkleinood en bladgoud op te brengen.

Men had niet ver van daar den schatuitdeeler

Te zoeken: Hyglac, Hredels zoon, verwijlde

Er zelve metterwoon en met de mannen

Nabij den zoom der zee. Het huis was heerlijk.

1975 Geweldig was de heerscher, hoogverheven

In zijne halle. Hygd [362] was uiterst jeugdig

En wijs en hoog van zin, schoon Häreds dochter

Geschouwd had weinig winters onder 't schutsel

Des burgs. Niet was zij evenwel gemeenzaam,

1980 Noch voor het Gootenvolk met giften karig

En schatgeschenken.--Thrydo [363] daarentegen

Zij voedde toorn de schoone volksgebiedster

En vreeselijke wraak. Niet dorst een dappre

Het wagen van haar trouwe lijftrawanten,

1985 Tenzij haar echtheer, dat hij haar in de oogen

Des daags bestaarde, daar zij hem de doodsboei,

Gestrengeld door de hand, bestemde en oplei.

Daarna, na deze hechtenis, was spoedig

Het staal bestemd, zoodat het doodlijk wapen

1990 Beslissen moest, het moordbedrijf vermelden. [364]

Niet zulks is maagdenzede, voor een vrouwe

Niet uit te voeren, schoon zij door haar schoonheid

Ook eenig weze, dat de vredeweefster [365]

Een waarden krijger, naar vermeende krenking,

1995 Naar 't leven staat. Wis stuitte 't Hemings bloedmaag [366]

Want bij den bierdronk zeiden zij iets anders [367]

Dat zij berokkende geringer gruwlen [368]

En listig leed, nadat de goudgedoste

Van hoogen stam ten huwlijk werd gegeven

2000 Een jeugdig held, nadat zij Offa's halle [369]

Op reis bereikt had langs de vale vloeden,

Naar vaders raad. Sindsdien vervulde deze

Op haren heerschersstoel op waarde wijze

Het levenslot, vermaard om hare mildheid.

2005 Den heldenvorst [370] bewees zij hooge liefde,

Der menschen besten, volgens mijn ervaren,

Der menschenzonen bij de beide zeeën.

Hierdoor was Offa door zijn daân en giften,

Een speerbehendig man, alom verheerlijkt.

2010 Hij hield 't bewind met wijsheid over 't erfland.

Uit hem ontsproot, tot hulp der helden, Eomaer,

Maag Hemings, Garmunds neef, de sterke in 't strijden. [371]

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 114 / 137 题