1935 Nu kwam aan 't strand der dappren stoet [359], der helden
Zij droegen 't ringnet, hun gevlochten rusting
Der leden. Weder sloeg de landwacht gade
De komst der krijgers, als hij deed voordezen.
Niet met gegrauw begroette hij de gasten
1940 Vanaf de rotskaap, maar hij reed hen tegen
En zei, dat zij, de glansomgeven gasten, [360]
Den Wederlieden welkom scheepwaarts schreden.
Toen werd op 't oeverzand de ruime zeeboot
Met strijdgewaad bevracht, de stalen steven,
1945 Met smuk en paarden. Boven Hrodgars puikschat
Verhief de mast zich. Beowulf schonk den hoeder [361]
Van zijne boot een zwaard, met goud gebonden,
Dat deze sedert des te meer ter meebank
Werd hooggeschat om dit geschenk, dit erfzwaard.
1950 Nu klom hij op het zeeschip, om te klieven
Den diepen vloed, verliet het land der Denen.
Een zeegewaad, een zeil, gesnoerd door zeelen,
Bevond zich aan den mast. Het meerhout dreunde
En langs den vloed belemmerden de winden
1955 Den zeebeschrijder niet in zijne reize.
De golvenganger toog; schuimhalzig scheerde
Hij langs de baren voort, 't gebonden vaartuig,
Langs 't zeegetuimel; tot men zag de klippen
Der Gooten met de goedbekende kapen.
1960 Naar boven drong de boot en windomwarreld
Stond zij nu op het strand. De havenhoeder
Bevond zich onverwijld gereed aan 't water,
Hij welke, wachtend op de lieve lieden,
Zoo menigmaal te voren in de verte
1965 Had uitgekeken bij de waterkolken.
Hij meerde vast het breedgeboezemd vaartuig
Op 't strand met ankertouw, opdat de stuwing
Des vloeds hun niet de kostbre kiel ontvoerde.
Hij heette toen der edellieden have,
1970 Het keurkleinood en bladgoud op te brengen.
Men had niet ver van daar den schatuitdeeler
Te zoeken: Hyglac, Hredels zoon, verwijlde
Er zelve metterwoon en met de mannen
Nabij den zoom der zee. Het huis was heerlijk.
1975 Geweldig was de heerscher, hoogverheven
In zijne halle. Hygd [362] was uiterst jeugdig
En wijs en hoog van zin, schoon Häreds dochter
Geschouwd had weinig winters onder 't schutsel
Des burgs. Niet was zij evenwel gemeenzaam,
1980 Noch voor het Gootenvolk met giften karig
En schatgeschenken.--Thrydo [363] daarentegen
Zij voedde toorn de schoone volksgebiedster
En vreeselijke wraak. Niet dorst een dappre
Het wagen van haar trouwe lijftrawanten,
1985 Tenzij haar echtheer, dat hij haar in de oogen
Des daags bestaarde, daar zij hem de doodsboei,
Gestrengeld door de hand, bestemde en oplei.
Daarna, na deze hechtenis, was spoedig
Het staal bestemd, zoodat het doodlijk wapen
1990 Beslissen moest, het moordbedrijf vermelden. [364]
Niet zulks is maagdenzede, voor een vrouwe
Niet uit te voeren, schoon zij door haar schoonheid
Ook eenig weze, dat de vredeweefster [365]
Een waarden krijger, naar vermeende krenking,
1995 Naar 't leven staat. Wis stuitte 't Hemings bloedmaag [366]
Want bij den bierdronk zeiden zij iets anders [367]
Dat zij berokkende geringer gruwlen [368]
En listig leed, nadat de goudgedoste
Van hoogen stam ten huwlijk werd gegeven
2000 Een jeugdig held, nadat zij Offa's halle [369]
Op reis bereikt had langs de vale vloeden,
Naar vaders raad. Sindsdien vervulde deze
Op haren heerschersstoel op waarde wijze
Het levenslot, vermaard om hare mildheid.
2005 Den heldenvorst [370] bewees zij hooge liefde,
Der menschen besten, volgens mijn ervaren,
Der menschenzonen bij de beide zeeën.
Hierdoor was Offa door zijn daân en giften,
Een speerbehendig man, alom verheerlijkt.
2010 Hij hield 't bewind met wijsheid over 't erfland.
Uit hem ontsproot, tot hulp der helden, Eomaer,
Maag Hemings, Garmunds neef, de sterke in 't strijden. [371]