En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
«Wij, zeebezeilers, willen thans u zeggen
1860 Wij, wijdbereisden, dat we wenschen Hyglac
Terug te zien. Wij zijn als 't voegt ontvangen [346]
Naar wil en wensch; gij waart ons toegenegen.
Indien ik eenigszins op deze wereld
Nog meer uw hartemin vermag te winnen,
1865 o Heer der dappren, dan ik deed tot dezen
Door wapendaân, ik sta aanstonds wilvaardig.
En zoo ik dit aan gene zij der zeeën
Verneem, dat u bestookt met strijd de nabuur,
Gelijk voorheen de haatgezinden [347] deden,
1870 Zoo zal ik duizend mijner dappren brengen,
Der helden, tot uw hulp. Wat Hyglac aangaat,
Den Gootenvorst, ik weet, hoe jong hij weze,
Dat hij, der volken herder, mij zal helpen
Met raad en daad; zoodat ik ruk ter heervaart
1875 En 't wapenhout [348] tot hulp, tot steun der sterkte
U breng, indien ge hebt gebrek aan mannen.
Zoo Hrederic, de vorstenzoon, zich voorneemt,
Der Gooten burgen eens te gaan bezoeken, {50}
Zoo zal hij vele vrienden ginder vinden.
1880 Bekendheid in den vreemde blijft verkieslijkst
Te zoeken voor wie steunt op eigen sterkte.» [349]
En Hrodgar voegde toe, hem tot een antwoord:
«Die redevoering gaf de wijze Godheid
U in 't gemoed. Van geenen man nog hoorde
1885 Ik op die jonge jaren [350] rijper rede.
Gij zijt aan krachten sterk, aan geest verstandig,
Aan woorden wijs. Ik koester dus verwachting
Dat--zoo het eens geschieden zou, dat werpspies
Of staalverwoede strijd den zoon van Hredel [351]
1890 Wegrukken zal, hetzij dan ziekte of ijzer,
Den herder van het volk en uwen heerscher,
En gij in leven zijt--dat dan de Zee-Goot
Geen beter heer dan u tot schatbehoeder
Der helden heeft te kiezen, zoo te heerschen
1895 Gij mocht verlangen over 't rijk der magen. [352]
Mij, beste Beowulf, lijkt uw moed hoe langer
Hoe meer. Gij hebt gemaakt, dat voor de volken,
De Gootenliên en lansgeduchte Denen,
Gemeenbezitting wezen zal de vrede;
1900 De strijd gestaakt en de overvallingsveete,
Die ze eer bezuurden; dat hij zal verblijven,
Zoolang ik 't uitgestrekte rijk besture,
Gemeen de schat, en menigeen den andre
Met giften over 't duiklaarsbad [353] zal groeten. [354]
1905 De staalomwonden kiel zal over 't water
De gaven brengen met de gunstbewijzen.
Ik weet, dat tegenover vriend en vijand
Onscheidbaar is verknocht dees krijgerschare,
In alles zonder blaam, naar de oude zeden.»
1910 Toen schonk hem bovendien de schuts der ridders,
Hij Healfdeens zoon, een twaalftal kostbaarheden.
Hij hoopte, dat hij met die gaven heilvol
Zijn trouwe volksliên weder zoude vinden
En ras teruggekeeren. Hierop kuste
1915 De hooggeboren vorst, de heer der Schyldings,
Der helden besten, zijnen hals omvattend.
Den zilvergrijze zegen neer de tranen,
Verwachting was er voor den ouden wijze
Van alle twee, nochtans van 't andre sterker [355]:
1920 Dat zij voortaan, de bouden bij de toespraak [356],
Elkander nimmer zouden kunnen weerzien {51}.
Hem was de man zoo waard, dat hij de woeling
Des harten niet vermocht in toom te houden;
Maar in de borst, besloten in de boeien
1925 Van zijn gedachten, haakte stil de heerscher, [357]
Ondanks het bloed [358], naar dezen dierbren krijger.
Trotsch op de schatten trok de kampheld Beowulf,
Verheugd om 't goud, nu henen langs de graszoo.
Het waterros, dat op het anker rukte,
1930 Verwachtte zijn bezitter. Onderwege
Werd dikwerf goedgekeurd de gift van Hrodgar.
Een eenig heerscher was 't, geheel onlaakbaar,
Tot hem 't genot der kracht ontnam de grijsheid,
Die menigmaal zoovelen heeft vermeesterd.