1780 Dan zal hij in den boezem zijn getroffen
Door scherpe schichten onder 't helmbeschutsel [331].
Niet kan hij zich vrijwaren van de zonde
Door 't wondervol gebod des boozen geestes [332].
Hem lijkt wat hij te lang bezat te luttel.
1785 Nu schraapt hij stuurschgestemd, hij schenkt uit praalzin
[333]
Geen gouden ringen; hij vergeet, verwaarloost
Zijn later lot, omdat hem God, de uitdeeler
Der glansen, vroeger gaf onmeetbre glorie, [334]
't Gebeurt ten leste, dat het broze lichaam
1790 Te zamen zinkt en dat vervalt het veege.
Een ander erft het rijk, die zonder rouwen
De have kwist, des eedlen kostbaarheden,
En zich aan later zorg niet laat gelegen,
o, Wacht u voor dit zoo verwaten streven,
1795 Mijn lieve Beowulf, gij der helden beste,
En kies 't voordeeligst, 't eeuwigdurend [335] welzijn.
Betracht geen overmoed, vermaarde kamper!
Een tijdlang tiert de volheid van uw krachten;
Maar 't draagt weldra zich toe, dat zwaard of ziekte
1800 U rooven uwe kracht, hetzij de omkronkling
Der vlammen, of het zwalpen van de vloeden,
Hetzij de greep van 't zwaard, de vlucht der werpspies,
De gruwe grijsheid, of de glans der oogen
Verdwijnt en taant. Dan schielijk zal't geschieden, [336]
1805 Dat u, den legerman, de dood vermeestert. [337]
Zoo heerschte ik honderd halve jaren over
De Harnas-Denen onder 't dak des hemels
En hoedde hen voor strijd met vele stammen
Dit aardrijk langs door esschelans en lemmer;
1810 Zoodat ik onder 't wulfsel van de wolken
Voor mij niet eenen tegenstander telde.
Gewis, mij overviel daarom een wending
Op 't stamgoed, smart na vreugde, sedert Grendel, [338]
De aloude vijand, werd mijn woonbezoeker.
1815 Voortdurend droeg ik onder die verdrukking
Geweldig hartewee. De Schepper weze
Geloofd, der eeuwen Heer, dat ik beleve
Op mijnen ouden dag, met dees mijn oogen
Te blikken naar het hoofd [339], het zwaardbebloede,
1820 Na 't oude zeer. Begeef u naar uw zetel
En deel in 't dischgenot, o krijgsbekroonde.
Wel menig schat zal zijn gemeen ons beiden,
Zoodra de morgen aanbreekt.»
Wel te moede
Was nu de Goot en ijlings ging hij verder
1825 Zijn zetel zoeken [340], als beval de vroede.
Den krachtgevierden werd alweer, als vroeger,
Een weidsch onthaal bereid, den halbezetters,
Een nieuwe reis. De nachtelijke hulle,
De duistere, verdonkerde zich over
1830 Het wapenvolk. De ridders rezen allen.
De grauwgelokte wilde 't leger zoeken,
De grijze Schylding. Ook den Goot, den schildheld,
Den wijdberoemden, lustte 't zeer te rusten.
Den strijdvermoeiden man, den verontstamden,
1835 Geleidde fluks van daar een halbediende,
Die naar het hofgebruik in elke nooddruft
Eens ridders zou voorzien, gelijk de zeeliên [341]
Gedurende den dag behoefte hadden.
Hij rustte de eelgezinde. Ruim, goudglanzig
1840 Verrees de bouw; de vreemde sliep er binnen,
Totdat de donkre raaf [342], verheugd van harte,
Des hemels weelde weder kwam verkonden.
Daar gleed de zonne glanzend over 't aardrijk;
De weerbren ijlden. De edellieden waren
1845 Gereed terug te varen naar hun volksstam.
De vreemdeling, de hooggestemde, haakte
Om ver van daar zijn vaartuig weer te vinden.
De held beval nu Hrunting voor te brengen,
Verzocht aan Ecglafs zoon [343] het zwaard te nemen,
1850 Het dierbre staal; hij dankte voor 't geleende {49}
En zei, hij schatte dit geschikt een kampvriend
En strijdbestand; niet laakte hij het lemmer
Van 't staal met woorden. 't Was een moedig strijder! [344]
Als nu de reisverheugde kampers reede
1855 In 't harnas stonden, stapte hij, de heerscher [345],
Den Denen dier, ten troon, alwaar de tweede
Slagwakkre man verwijlde, en groette Hrodgar.