XXV.

En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:

«Voorwaar, o Healfdeens zoon, o heer der Schyldings,

1685 Wij brachten vroolijk tot een zegeteeken

U dezen zeebuit, dien gij hier bezichtigt.

'k Volvoerde 't nauwlijks met gevaar van 't leven:

Ter nauwernood in 't worstlen onder 't water

Bestond ik deze daad. Mij was het strijden

1690 Verhinderd schier, zoo God mij niet beschermd had.

Niets werkte ik uit met Hrunting in de worstling,

Schoon deugt de degen; maar de Heer der menschen

Verleende mij, dat 'k aan den muur zag hangen

Een vonkelglanzig, oud, geweldig wapen;

1695 (Hoe vaak geleidde Hij de vriendenloozen!)

Dit drilde ik tot geweer. Ik doodde in 't worstlen

(Daar gunstig was de kans) der woning wachters [312].

Het kampzwaard teerde weg, 't getogen lemmer

Op 't oogenblik, waarop het bloed ontspatte,

1700 Het heetste wapenvocht. Van daar ontvoerde

Ik aan den vijand dit gevest. Zoo wreekte

Ik de euveldaân, de doodskwaal van de Denen,

Gelijk het paste. Dit beloof ik heden:

Gij kunt in Heorot slapen onbekommerd

1705 Met uwer helden stoet en elken strijder

Van uwe mannen, meerderen of mindren;

Zoodat gij niet meer noodig hebt te duchten,

o Denenvorst, van dezen kant de doodskwaal,

Gelijk gij vroeger deedt, voor uwe lieden.»

1710 Nu werd den ouden held de gouden handvat,

Het grijze wapenhoofd [313], ter hand gegeven,

't Aloud gewrocht der reuzen. [314] Dit geraakte

Nu in 't bezit, dit werk der wondersmeden,

Des Denenvorsten, na den val der duivels.

1715 De wrevelzieke man, Gods tegenwrijter,

Had moordbelaân verlaten deze wereld,

Zijn moeder mee. Nu viel 't te beurt den waardsten

Der wereldvorsten bij de beide zeeën,

Die schatten deelden op het Schedeneiland [315].

1720 Toen zeide Hrodgar;--hij bezag de handgreep,

Het oude stuk, waarop 't ontstaan des voorkamps [316]

Was ingegrift. Alsdan versloeg de deining,

Het overstroomend nat de reuzenstammen.

Zij bleken boos. 't Geslacht het was weerbarstig

1725 Den eeuwgen Heer. Des gaf hun de Albeheerscher

De slotvergelding door den vloed der golven. [317]

Op 't hechtbeslag van heerlijk goud was tevens

Beteekend, trouw gezet, gezegd in runen [318],

Voor wien eerst was bewerkt de keur der klingen

1730 Met slankgewrongen, slangomslongen handgreep. [319]--

Toen nam het woord [320] de wijze zoon van Healfdeen,

En ieder zweeg:

«Voorwaar, dit zal hij zeggen,

Die onder 't volk bevordert recht en waarheid,

Van ver het gansch gedenkt, als grijze goedsheer,

1735 Dat deze dappre beter [321] werd geboren.

Langs wijde wegen is, mijn beste Beowulf,

Uw roem gevaren over alle volken.

Gestadig waakt gij op dit alles: sterkte

En wijsheid van 't gemoed. U wil 'k bewijzen

1740 Mijn dankbaarheid, als wij voorheen bespraken. [322]

Gij zult nog lang uw lieden tot vertroosting,

Tot hulp uw helden zijn. Niet zoo was Heermod [323]

Voor 't zaad Ecgwela's, voor de Zege-Schyldings.

Niet groeide hij tot lust der Denenlieden,

1745 Maar wel tot lijkenval en stervenslijden.

Dolzinnig doodde hij de dischgenooten,

Zijn schoudermakkers, tot hij eenzaam scheidde [324]

De hooge heerscher, ver van 't heldenwoelen.

Ofschoon een machtig God hem met de weelde

1750 Der heldenkracht en sterkte had verheerlijkt

En over alle mannen heen verheven,

Toch groeiden in zijn borst bloedgierige tochten.

Hij deelde geene ringen [325] aan de Denen,

Als hun gewoonte was: verweesd van vreugde

1755 Ervoer hij, dat hij drang om zijn vervolging

Te harden had, het eindelooze lijden. [326]

Gij, leer hieruit en grijp naar mannengrootheid.

Ik sprak, door jaren wijs, voor u die spreuken.

Een wonderbare zaak is 't om te zeggen,

1760 Hoe dat een machtig Schepper aan het menschdom

Uit milden grootzin wijsheid geeft en woning

En heldenhoogheid. Hij gebiedt aan alles.

Somwijlen laat Hij zijnen zin in liefde

Ontvonken voor een man van hoogen huize {48}.

1765 Hij geeft hem op zijn goed 't genot der aarde,

Om op der helden heerschersburg te huizen;

Hij [327] onderwerpt hem zoo der wereld deelen,

De groote rijken, dat hij zelf [328] de grenspaal

Zich wegens 't onverstand niet voor kan stellen.

1770 Hij leeft in overvloed; niets kan hem letten,

't Zij krankte of ouderdom; vervolgingskommer

Benevelt niet den zin; noch kamp, noch zwaardhaat

Vertoont zich, waar 't ook weze; maar de wereld

Zij wendt zich naar zijn wil. Hij kent geen onspoed;

1775 Tot de overmoed inwendig wast en woekert;

De hoeder [329] sluimert dan, der ziele herder,

De slaap is diep, geketend door vermoeidheid,

De moorder [330] zeer nabij, die met den pijlboog

Zal wonden op verraderlijke wijze.

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 111 / 137 题