Alsdan ontwaarde hij bij andre wapens
Een zeegrijk zwaard, een oud rapier der reuzen,
1590 Geducht van snee, der strijders sier. Het beste
Der wapens was het; enkel woog het zwaarder
Dan dat een ander krijger [300] tot het kampspel
Het goed en schoon gigantenwerk kon voeren.
Hij [301] vatte toen 't gevest, der Schyldings strijdwolf,
1595 Hij zwaaide 't zwaard vergramd en ijzergrimmig,
Het ringgetooide, reeds aan 't leven twijflend.
Hij hieuw in 't wilde, dat het hard ten halze
Naar binnen drong en brak de beenderwervels,
Het lemmer 't veege lijf geheel doorvlijmde.
1600 Ten bodem bonsde zij. Het staal was bloedig,
En over 't werk verheugd de wapenkrijger.
Nu bliksemde de kling [302]; vanuit haar binnenst
Ontschoot een schemer, evenzoo als schittrend
Vanaf den trans de hemeltoortse blikkert.
1605 Nu blikte hij de halle rond en richtte
Daarna zich naar den wand. Hij hief het wapen
De dappre bij de handgreep, Hyglacs dienstman,
Verwoed en vastberaân. Niet was het wapen
Van ondienst aan den slagheld, want hij wilde
1610 Aan Grendel menig aangreep snel vergoeden,
Door dezen aangedaan den Wester-Denen,
Veel meer dan eene maal; toen hij van Hrodgar
De haardgenooten sloeg in hunnen sluimer
En vijftien in den slaap van 't volk der Denen
1615 Verzwolg, een tweede vijftiental ontvoerde,
Een gruwzaam offer. Doch hem gaf vergelding
De onstuime held, tot waar hij afgestreden
En zielloos Grendel liggen zag op 't leger,
Gelijk voorheen de worsteling in Heorot
1620 Hem toegetakeld had. Daarhenen rolde
De romp, nu dat hij dulden moest na 't sneven
Den strook, den zwaren slag van 't zwaard, en Beowulf
Hem nederhieuw het hoofd. [303] De wijze helden
Die, welke zagen naar de zee met Hrodgar,
1625 Bemerkten nu aanstonds, dat heel de strooming
Gemengeld bleek, met bloed geverfd de baren.
De grauwgebaarde grijsaards onderhielden
Zich al te gader over hem, den goede,
Dat zij niet hoopten van den held, dat zeegrijk
1630 Hij weer bezoeken zou den hoogen heerscher.
't Scheen menigeen, hem had gedood de meerwolf.
Toen was het negende uur [304] des dags genaderd.
Nu scheidden van de kaap de koene Schyldings,
En huiswaarts ging van daar der helden schatvriend [305].
1635 De vreemden [306] zaten droef van zin en tuurden
Naar 't water heen. Zij wisten noch zij waanden
Hem zelven nog te zien, den vriend en heerscher.
Nu ving het staal door 't bloed, door 't strijdgedruppel, [307]
De slagbijl aan te slinken. 't Was een wonder,
1640 Hoe 't gansch versmolt, als 't ijs, wanneer de Godheid
De banden slaakt der vorst, de waterboeien
Ontbindt, zij die gebiedt aan tijd en stonde.--
De ware Schepper is 't.--Niet meerder schatten
Ontvoerde uit deze woon de vorst der Gooten,
1645 Ofschoon hij vele zag, dan 't hoofd te zamen
Met dat gevest van glimmend goud; [308] te voren
Was 't zwaard verteerd, verbrand 't getogen lemmer:
Zoo heet was 't bloed, de hellegeest zoo giftig,
Die daar het lijf in liet. Gezwind ontzwom hij,
1650 Die in 't gevecht den kampdood had ervaren
Der boozen, dook naar boven door het water.
Nu was geheel het golfgewoel gezuiverd,
De wijde watervlakte, waar de daemon
Zijn levensdagen achter had gelaten,
1655 Het wuft bestaan. De steun der varenslieden
Kwam kloekgestemd gezwommen naar de stranden.
Nu praalde hij op zijne prooi der diepte,
Het vrachtgevaarte, dat hij met zich voerde.
Nu gingen hem te moet en dankten Gode
1660 De stoute ridderstoet, vervuld van vreugde
Om hunnen heer, nu zij hem heilvol zagen.
Den opgewonden werden helm en harnas
Nu dra ontnomen. Drabbig werd het water,
De zeevloed onder 't zwerk en rood van 't bloedbad.
1665 Zij ijlden voort van daar langsheen het voetpad
Met lichten geest. Zij maten weer de landstraat,
Den welbekenden weg. De koene mannen
Vervoerden nu het hoofd van 't voorgebergte:
Iets moeitevols voor elk der moedvervulden.
1670 Al zwoegend moesten vier op hunne veldspeer
Het hoofd van Grendel dragen naar de goudhal,
Totdat zij ras het zaalgebouw bereikten
De veertien [309] dappre kampgeduchte Gooten,
En op het medeërf [310] begaf kloekmoedig
1675 Zich in hun midden voort de mannenheerscher.
Daar kwam hij ingegaan de krijgerkoning,
De man, door daden koen, door moed verheerlijkt,
De slaggeharde held, te groeten Hrodgar.
Nu werd het hoofd van Grendel bij de haren
1680 Ter woon gedragen, waar de mannen dronken,
Den ridders vreeslijk [311] als der edelvrouwe.
De mannen zagen naar het zeldzaam schouwspel.