XXIV.

Alsdan ontwaarde hij bij andre wapens

Een zeegrijk zwaard, een oud rapier der reuzen,

1590 Geducht van snee, der strijders sier. Het beste

Der wapens was het; enkel woog het zwaarder

Dan dat een ander krijger [300] tot het kampspel

Het goed en schoon gigantenwerk kon voeren.

Hij [301] vatte toen 't gevest, der Schyldings strijdwolf,

1595 Hij zwaaide 't zwaard vergramd en ijzergrimmig,

Het ringgetooide, reeds aan 't leven twijflend.

Hij hieuw in 't wilde, dat het hard ten halze

Naar binnen drong en brak de beenderwervels,

Het lemmer 't veege lijf geheel doorvlijmde.

1600 Ten bodem bonsde zij. Het staal was bloedig,

En over 't werk verheugd de wapenkrijger.

Nu bliksemde de kling [302]; vanuit haar binnenst

Ontschoot een schemer, evenzoo als schittrend

Vanaf den trans de hemeltoortse blikkert.

1605 Nu blikte hij de halle rond en richtte

Daarna zich naar den wand. Hij hief het wapen

De dappre bij de handgreep, Hyglacs dienstman,

Verwoed en vastberaân. Niet was het wapen

Van ondienst aan den slagheld, want hij wilde

1610 Aan Grendel menig aangreep snel vergoeden,

Door dezen aangedaan den Wester-Denen,

Veel meer dan eene maal; toen hij van Hrodgar

De haardgenooten sloeg in hunnen sluimer

En vijftien in den slaap van 't volk der Denen

1615 Verzwolg, een tweede vijftiental ontvoerde,

Een gruwzaam offer. Doch hem gaf vergelding

De onstuime held, tot waar hij afgestreden

En zielloos Grendel liggen zag op 't leger,

Gelijk voorheen de worsteling in Heorot

1620 Hem toegetakeld had. Daarhenen rolde

De romp, nu dat hij dulden moest na 't sneven

Den strook, den zwaren slag van 't zwaard, en Beowulf

Hem nederhieuw het hoofd. [303] De wijze helden

Die, welke zagen naar de zee met Hrodgar,

1625 Bemerkten nu aanstonds, dat heel de strooming

Gemengeld bleek, met bloed geverfd de baren.

De grauwgebaarde grijsaards onderhielden

Zich al te gader over hem, den goede,

Dat zij niet hoopten van den held, dat zeegrijk

1630 Hij weer bezoeken zou den hoogen heerscher.

't Scheen menigeen, hem had gedood de meerwolf.

Toen was het negende uur [304] des dags genaderd.

Nu scheidden van de kaap de koene Schyldings,

En huiswaarts ging van daar der helden schatvriend [305].

1635 De vreemden [306] zaten droef van zin en tuurden

Naar 't water heen. Zij wisten noch zij waanden

Hem zelven nog te zien, den vriend en heerscher.

Nu ving het staal door 't bloed, door 't strijdgedruppel, [307]

De slagbijl aan te slinken. 't Was een wonder,

1640 Hoe 't gansch versmolt, als 't ijs, wanneer de Godheid

De banden slaakt der vorst, de waterboeien

Ontbindt, zij die gebiedt aan tijd en stonde.--

De ware Schepper is 't.--Niet meerder schatten

Ontvoerde uit deze woon de vorst der Gooten,

1645 Ofschoon hij vele zag, dan 't hoofd te zamen

Met dat gevest van glimmend goud; [308] te voren

Was 't zwaard verteerd, verbrand 't getogen lemmer:

Zoo heet was 't bloed, de hellegeest zoo giftig,

Die daar het lijf in liet. Gezwind ontzwom hij,

1650 Die in 't gevecht den kampdood had ervaren

Der boozen, dook naar boven door het water.

Nu was geheel het golfgewoel gezuiverd,

De wijde watervlakte, waar de daemon

Zijn levensdagen achter had gelaten,

1655 Het wuft bestaan. De steun der varenslieden

Kwam kloekgestemd gezwommen naar de stranden.

Nu praalde hij op zijne prooi der diepte,

Het vrachtgevaarte, dat hij met zich voerde.

Nu gingen hem te moet en dankten Gode

1660 De stoute ridderstoet, vervuld van vreugde

Om hunnen heer, nu zij hem heilvol zagen.

Den opgewonden werden helm en harnas

Nu dra ontnomen. Drabbig werd het water,

De zeevloed onder 't zwerk en rood van 't bloedbad.

1665 Zij ijlden voort van daar langsheen het voetpad

Met lichten geest. Zij maten weer de landstraat,

Den welbekenden weg. De koene mannen

Vervoerden nu het hoofd van 't voorgebergte:

Iets moeitevols voor elk der moedvervulden.

1670 Al zwoegend moesten vier op hunne veldspeer

Het hoofd van Grendel dragen naar de goudhal,

Totdat zij ras het zaalgebouw bereikten

De veertien [309] dappre kampgeduchte Gooten,

En op het medeërf [310] begaf kloekmoedig

1675 Zich in hun midden voort de mannenheerscher.

Daar kwam hij ingegaan de krijgerkoning,

De man, door daden koen, door moed verheerlijkt,

De slaggeharde held, te groeten Hrodgar.

Nu werd het hoofd van Grendel bij de haren

1680 Ter woon gedragen, waar de mannen dronken,

Den ridders vreeslijk [311] als der edelvrouwe.

De mannen zagen naar het zeldzaam schouwspel.

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 110 / 137 题