En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
«Geheug u nu, o hooge spruit van Healfdeen,
o Vroede vorst, nu 'k tot den tocht ben reede,
o Vriend der vromen [284], wat wij vroeger spraken:
1505 Indien ik eens in uwen dienst het leven
Verlaat, dat gij voor mij [285], den overledene,
Voortaan vervullen zult de plaats van vader,
o, Wees de wachter van de wapenlieden,
Mijn handgezellen, zoo de kamp mij heenrukt,
1510 En zend dan insgelijks, mijn lieve Hrodgar,
De mij geschonken schatten heen aan Hyglac.
Dan kan aan 't goud der Gooten vorst erkennen,
De zoon van Hredel, zoo hij ziet de schatten,
Dat ik een meer dan milden goudbegever
1515 Gevonden heb en hield, zoolang ik leefde.
En gij, mijn Unferd, laat het oude lemmer,
Het kostbre, zware zwaard, het harde, hebben
Een wijdberoemden held. [286] 'k Verwerf met Hrunting
Mij roem, of anders rukt de dood mij mede.»
1520 Geweldig ijlde weg bij deze woorden
Der Weder-Gooten [287] vorst; hij wachtte geenszins
Het antwoord af. De vloed ontving den strijdheld.
Wel eene stond' des dags verstreek [288] {44}, alvorens
Hij 't bodemvlak bereiken kon der baren.
1525 Nu werd terstond gewaar die honderd winters
Strijdgierig had bewaakt den schoot der golven,
De booze, vraatgeduchte, dat van boven
Der menschen een naar 't oord der monsters vorschte. [289]
Zij tastte toe en greep met gruwbre klauwen
1530 Den wapenheld, doch wondde niet inwendig
Het onverlette lijf. Dit borg van buiten
Het ringkuras, dat [290] zij niet door kon rukken
Den wapenrok, de welgevlochten halsberg,
Met grimmige vuist. De zeewolvin ontvoerde
1535 Der ringen heer, nu zij den boôm bereikte,
Naar hare woning, dat hij over 't wapen
(Hem schoot de moed te kort) niet kon beschikken {45}:
Want zwemmend drongen om hem veel gedrochten
En menig zeedier tornde met den kamptand
1540 Aan 't wapennet; zij zetten na den vijand. [291]
Nu vond de vorst, hij was in zekre woning
Der diepte, waar hem geene golven deerden,
Noch wegens 't dak de valsche greep des waters
Hem kon omknellen. Hij ontwaarde een weerschijn
1545 Van vuur, een hellen gloed, die helder glansde. [292]
Nu zag de dappre de wolvin der diepte,
Het schrikbaar waterwijf. Hij schonk het slagzwaard [293]
Een reuzenzwaai. Niet trokken zich terugge
De handen tot den houw, zoodat de degen
1550 Op haren schedel zong een hongrig kamplied.
Toen ondervond de vreemde [294], dat de strijdstraal [295]
Niet wilde vatten, noch het leven letten;
Het lemmer liet den vorst in nood verlegen.
Het had weleer getrotst zoo menig treffen,
1555 De helmen vaak gekloofd, des veegen kampkleed.
Voor 't eerste viel het voor aan 't prachtig pronkstuk,
Dat nederlag zijn roem. Doch vastberaden,
Den kamp niet moede, maar zijn daân gedachtig,
Bevond zich nu opnieuw de neef van Hyglac.
1560 Hij wierp 't gebloemde zwaard [296], 't juweelomwonden,
De gramme strijder, dat het sloeg ten gronde,
't Staalsnedig, stevig zwaard. Op zijne sterkte
Berustte hij, de handgreep zijner rechte.--
Zoo moet een man voortvaren, welke in 't wapen
1565 Zich onvergangbren lof begeert te gaâren;
Niet schort hem 't eigen leven.--Bij den schouder
Omvatte toen (niet vreesde hij de veete)
De meester van de Gooten Grendels moeder.
De kampgeduchte schudde, daar hij toornde,
1570 Den levensvijand, dat die viel ten gronde;
Doch deze gaf hem onverwijld vergelding
Met gruwelijken klauw en greep hem tegen.
De moegezwoegde [297] stiet den kampbestuurder
Omver, den voetheld, dat hij kwam te vallen {46}.
1575 Nu zat zij over hem, den zaalindringer,
En trok de breede zas met bronzen lemmer;
Zij zocht haar zoon, haar eenig zaad, te wreken.
Op zijnen schouder lag 't geschakeld lijfnet;
Dit borg nu zijnen boezem, want het weerde
1580 Den toegang tegen alle spits of snede.
Nu zou hij onder d'opgespalkten zeegrond
Gewis bezweken zijn, de zoon van Ecgtheow,
De Gootenheld, zooniet het oorlogsharnas
Hem had geholpen, 't harde maliekolder,
1585 De heilge God niet had bestuurd de zege.
De wijze Heer, de Hemelheerscher, sliste
Het licht naar recht, nadat hij [298] was gerezen {47}. [299]