XXII.

En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:

1410 «Zorg niet, hoogwijze vorst! 't Is elk gewenschter

Te wreken zijnen vriend, dan veel te rouwen.

Een ieder onzer zal het eind ervaren

Van 't leven hier omlaag. Dat hij behale,

Die daartoe is in staat, een naam vóór 't sterven!

1415 't Is later 't beste voor d'ontlijfden krijger. [274]

Rijkshoeder, rijs! Welaan, met rassche schreden

Gegaan, beschouwd den gang van Grendels moeder!

Dit zeg ik toe: Zij zal zich niet onttrekken

In eene schuilplaats, noch den schoot der aarde,

1420 Noch in het berggeboomt, noch op den bodem

Der golven, ga ze dan alwaar ze wille.

Gij oefen nog geduld voor dezen dagstond

Met ieder leed, gelijk ik u dit toewensch.»

Nu rees de grijze recht. Hij dankte Gode,

1425 Den sterken Heer, voor 't geen de held daar zeide.

Getoomd werd toen des konings ros, de klepper

Met langgelokte manen. Statig stapte

De wijze heerscher heen; de voetschaar volgde

Der schildbeschutten. Verre was te schouwen

1430 Langsheen de wegen van het woud het voetspoor

Des vijands, zijne vlucht langsheen de vlakte,

Alwaar hij wegsloop over 't donkre drasland

En met zich bracht d'ontzielden man [275], den besten

Van hen, die 't huis beheerden met den heerscher.

1435 Nu toog der eedlen telg [276] langs steile steenklip,

Langs enge steegjes, voor den stap eens enklen,

Langs wegen nooit gekend, langs nauwe riffen

En menig nikkerhuis. Aan 't hoofd der enklen,

Der wijze lieden, ging hij [277] 't land doorvorschend,

1440 Totdat hij eensklaps aantrof 't berggeboomte,

Dat langs de grauwe rotsen overleunde,

Het vreugdelooze woud. Daar lag beneden

Het water bloedigrood en wildbewogen.

Het viel den Denen al, den Schyldingsvrienden,

1445 En menig held in 't hart wel zwaar te harden;

Een rilling was 't voor ieder van de ridders,

Toen ze Aschers hoofd ontmoetten op de meerklip.

Van 't bloed, het heete hartbloed, woelde 't water.

De helden zagen toe. Soms zong de horen

1450 Een vaartree oorlogslied. De heele voetschaar

Was neergezeten. Langs het water zagen

Zij meer dan een van 't slag der monsterwormen,

Ontzetbre zeegedrochten 't nat doorzoeken,

Ook nikkers, in de rotskloof nederliggend,

1455 Die tegen middagtijd gevreesde tochten

Niet zelden ondernemen langs de zeilstraat [278],

Gewormte en wild gebroed. Zij stoven woedend

En opgetergd daarhenen, toen zij hoorden

Het schel geschal, het klinken van den kamphoorn.

1460 De Gootenvorst beroofde van het leven

En 't zwemgedartel éénen door den pijlboog,

Dat hem in 't harte drong de scherpe heerschicht;

En loomer, naar gelang de dood hem wegnam,

Werd deze bij het zwemmen door de zeeën.

1465 Gezwind met eversprieten, scherp als zwaarden

Geweerhaakt, werd hij fel benard in 't water,

Om strijd bestookt en op het strand getrokken,

De wondre golvenschudder. 't Volk beschouwde

Den gruwbren gast. [279] Toen rustte in ridderkleeding

1470 Zich Beowulf uit; niet beefde hij voor 't leven.

Het handgevlochten, wonderglanzig harnas,

Het breede, zou met hem de zee ervaren,

't Geen bergen kon zijn lichaam, dat de kampvuist

Niet zijne borst, de sluwe greep des boozen

1475 Zijn leven schaden mocht. Doch 't hoofd beschermde

De helm, de heldre, die zich met de diepte

Vereenen zou, het zeegewentel zoeken,

Getooid met goud, met vorstenwrong omgeven,

Gelijk in 't lang voorheen hem had vervaardigd

1480 De wapensmid, bewerkt op wondre wijze,

Bezet met everzwijnen, zóó dat sedert

Noch brand [280] noch degen hem vermocht te deren.

Ook was de kling geen kleine steun der sterkte,

Die tot behulp de spreker Hrodgars, Hunferd,

1485 Hem had geleend. Het lemmer heette Hrunting.

Dit eene stond vooraan bij de erfkleinooden;

Van staal was 't zwaard en bruin van zwadderdroppen,

Gehard in 't bloed. Geen held, dien 't ooit beschaamde

In 't veld, die 't zwaaide met de vuist, angstwegen [281]

1490 Betreden dorst, het volkrenveld des vijands.

't Verrichtte niet voor de eerste reize krachtdaân.

Voorzeker niet gedacht de zoon van Ecglaf [282],

De koene aan kracht, alwat hij eerst beweerde,

Beneveld door den wijn, nu dat hij 't wapen

1495 Wou leenen aan gelukkiger een zwaardheld.

Niet dorst hij zelf op 't spel het leven zetten

In 't golfgestorm, een stoute daad voldingen.

Hier ging zijn roem te loor, de roep der sterkte.

Niet stond het desgelijks gesteld met d'andre [283],

1500 Toen deze zich gewapend had ter worstling.

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 108 / 137 题