XXI.

1345 En Hrodgar sprak, de schermheer van de Schyldings:

«Naar welstand vraag me niet. De nood is weder

Vernieuwd den Denenlieden. Dood is Aschere,

Hij Yrmenlafes eerstgeboren broeder,

Mijn alvertrouwde en raadverstrekker tevens,

1350 Mijn zijgenoot, wanneer wij 't hoofd behoedden

In 't veld, wanneer te zamen stiet het voetvolk,

Helmevers stormden {41}. Zoo toch zij een strijder,

Een ridder lang beproefd, gelijk was Aschere.

Hem werd tot wurger in de hallewoning

1355 De duistre doodsgeest. 'k Weet niet, waar de gruwbre

Al bogend op den buit teruggereisde,

Door 't rooven van de prooi alleen verraden. [267]

Hij heeft aldaar op ons verhaald de veete,

Omdat gij gistren nacht zijn Grendel dooddet

1360 Op woeste wijs met harden handgreep; immers

Die dunde en doodde reeds te lang mijn lieden.

Hij viel in 't krijt, vervallen van het leven.

Nu daagde een ander machtig euveldader,

Het was zijn doelwit zijnen zoon te wreken,

1365 En voor 't vervolg bewerkte hij de veete. [268] {42}

Diensvolgens mag het menig dappre dunken,

Die naar den heerscher [269] haakt in zijne ziele,

Een harde hartkwetsuur. Nu rust de rechte [270],

Die willig was voor ieder uwer wenschen.

1370 Dit hoorde ik landbewoners, {43} mijne lieden,

Mijn zaalbewakers zeggen: dat ze een tweetal

Van zulke reuziggroote grensbesluipers

Gehuisvest zagen midden in de moeren,

Twee menschenschuwe schimmen. De eene dezer

1375 Scheen, naar hun beste weten, volgens 't wezen

Een vrouw te zijn, terwijl de tweede wanmensch

In mansgedaante op ballingswegen [271] doolde.

Slechts was hij machtiger dan een der mannen.

Hem heette Grendel sinds den grijzen voortijd

1380 Het aardevolk. Zij kennen niet zijn vader,

Noch of hem ooit ontsproten duistre daemons.

Zij nestelen in ongenaakbre streken, [272]

In wolfskrocht, windombruiste voorgebergten,

Verraderlijke paden door moerassen,

1385 Alwaar de bergvloed uit de omwolkte klippen

Terneder stort, het stroomend nat bij de aarde.

Niet wijd van hier, op weinig mijlen afstands

Daar ligt het meer, waar rijpbeladen bosschen

Zich overbuigen, wouden vast door wortels.

1390 Ze omhuiven 't nat. Daar zal men alle nachten

Een vreeslijk wonder zien, een vuur in 't water.

Niet leeft een zoo diepzinnig zoon der menschen,

Die zijnen bodem kent. Al zoekt, door honden

In 't nauw gebracht, het hert, de heideganger,

1395 't Geweigeweldige, het woud, van verre

Verjaagd, veel liever levert dit zijn leven

Eerst over, zijnen adem aan de zoomen,

Dan dat het in wil, om zijn hoofd te hoeden.

't Is geen aanminnig oord, vanwaar 't gemengel

1400 Der golven, 't zwarte, tot het zwerk opsteigert,

Wanneer de winden wentlen norsche vlagen,

Tot donker wordt de lucht, de transen weenen. [273]

Bij U alleen berust alweer de redding.

Nog kent gij niet de plaats, de plek, de nare,

1405 Alwaar gij 't snoode wezen moogt ontmoeten.

O, zoek het, zoo ge durft, 'k Vergeld met gaven

't Gevecht en ouden smuk, als 'k deed te voren,

Met gouden ringen, zoo gij gaaf terugkomt.»

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 107 / 137 题