XX.

Nu zegen zij ten slaap. Met wee bezuurde

Er één [250] zijn avondrust; als 't menig reize

Vergaan was, sedert Grendel hunne goudwoon

1275 Bezette, wrevel zocht, totdat het einde

Was opgedaagd, de dood na de euveldaden.

Dit werd bemerkbaar, wijdbekend voor 't menschdom,

Dat nog een wreker [251] leefde na den vijand,

Nog langen tijd na 't kommervolle kampen. [252] {40}

1280 Nu was 't daemonisch wijf, de moeder Grendels,

Gedachtig zijnen dood, zij, welke de ijzing

Der kolk [253], den kouden waterschoot bewoonde;

Sinds Kaïn werd den broeder door het wapen

Tot moordenaar, den zoon eens zelfden vaders.

1285 Toen vlood hij vredeloos, door bloed gebrandmerkt,

De wereldweelde en trok in wildernissen.

Hier werden uit verwekt de ongure geesten.

Van hen was Grendel één, de hatelijke,

De zwaardgedoemde, die den man ontmoette,

1290 Den wrekenden, in Heort, de worstling wachtend,

Waar 't monster met hem handgemeen zou worden.

Doch die [254] gedacht de veerkracht van zijn spieren,

De reuzengift, die God hem had gegeven.

Hij bouwde voor zich zelven op den bijstand

1295 Des Albestuurders, op zijn steun en sterking.

Hij kwam daardoor te boven dezen booze,

Versloeg het helgedrocht. Toen droop het smaadvol,

Van heil verstoken henen, hij, de vijand

Des stervelings, de doodenstee te zoeken.-- [255]

1300 Nu zocht daarbij vraatzuchtig, duisterzinnig

Zijn moeder 't jammervolle pad [256] te volgen,

Te wreken haren zoon. Zij kwam naar Heorot,

Waar langs de woon [257] de Wapen-Denen sliepen.

Den ridders overkwam nu ras een omkeer [258],

1305 Zoodra naar binnen drong de moeder Grendels.

Nochtans de vrees was minder groot dan vroeger,

Zooveel als kracht en kampgrim van de vrouwen

Tot strijders staat, als 't goudomgeven slagzwaard [259],

De hardgeklonken kling, de bloedgekleurde,

1310 Scherpvlijmig scheert den ever van de helmen.

Het taaie zwaard werd in de hal getogen,

De degen over hunne banken henen [260],

Geheven menig schild met forsche handen

Niet dacht aan helm, niet aan het groote harnas,

1315 Wien overviel de vrees. [261] De vijand ijlde,

Hij wilde weg van hier, het lijf behoeden,

Nu dat hij was ontdekt. Toch greep hij gretig

Een ridder [262] vast bij 't vluchten naar de venen.

Dit was des konings meest beminde kamper

1320 Van zijn gevolgschap bij de beide zeeën,

Een schrikbaar schildheld, dien hij doodde op 't leger,

Een hooggevierde borst. Niet was er Beowulf;

Want na de uitdeeling werd een andre woning

Den Goot, den wijdvermaarden, aangewezen.

1325 Geraas verrees in Heorot. Hij ontvoerde

De roodbebloede hand, de wijdberuchte. [263]

Het wee was weer vernieuwd in hunne woning.

Niet deeglijk was de handel, dat de helden

Betalen moesten met der makkers leven

1330 De boozen beiderzijds [264]. De vorst [265], de vroede,

De grijze wapenheld, was wild te moede,

Toen levenloos hij wist den waardsten raadsman.

In aller ijle werd uit zijne woning

Gehaald de held, de zegeblijde, Beowulf.

1335 Voor dag en dauw nog spoedde met zijn mannen

De held zich heen, de koengestemde kamper,

Alwaar de wijze Hrodgar zat te wachten,

Of de Algebieder na die bange boodschap

Hem ooit een wending wilde voorbewaren.

1340 Hij stapte langs den vloer de wapenstoute

Met zijnen drom, (het hout der halle dreunde)

Den wijzen Denenheer met woorden welkom

Te heeten, vroeg, of, naar zijn heusche wenschen [266],

Voor hem ook heilvol was geweest de nachtrust.

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 106 / 137 题