Nu zegen zij ten slaap. Met wee bezuurde
Er één [250] zijn avondrust; als 't menig reize
Vergaan was, sedert Grendel hunne goudwoon
1275 Bezette, wrevel zocht, totdat het einde
Was opgedaagd, de dood na de euveldaden.
Dit werd bemerkbaar, wijdbekend voor 't menschdom,
Dat nog een wreker [251] leefde na den vijand,
Nog langen tijd na 't kommervolle kampen. [252] {40}
1280 Nu was 't daemonisch wijf, de moeder Grendels,
Gedachtig zijnen dood, zij, welke de ijzing
Der kolk [253], den kouden waterschoot bewoonde;
Sinds Kaïn werd den broeder door het wapen
Tot moordenaar, den zoon eens zelfden vaders.
1285 Toen vlood hij vredeloos, door bloed gebrandmerkt,
De wereldweelde en trok in wildernissen.
Hier werden uit verwekt de ongure geesten.
Van hen was Grendel één, de hatelijke,
De zwaardgedoemde, die den man ontmoette,
1290 Den wrekenden, in Heort, de worstling wachtend,
Waar 't monster met hem handgemeen zou worden.
Doch die [254] gedacht de veerkracht van zijn spieren,
De reuzengift, die God hem had gegeven.
Hij bouwde voor zich zelven op den bijstand
1295 Des Albestuurders, op zijn steun en sterking.
Hij kwam daardoor te boven dezen booze,
Versloeg het helgedrocht. Toen droop het smaadvol,
Van heil verstoken henen, hij, de vijand
Des stervelings, de doodenstee te zoeken.-- [255]
1300 Nu zocht daarbij vraatzuchtig, duisterzinnig
Zijn moeder 't jammervolle pad [256] te volgen,
Te wreken haren zoon. Zij kwam naar Heorot,
Waar langs de woon [257] de Wapen-Denen sliepen.
Den ridders overkwam nu ras een omkeer [258],
1305 Zoodra naar binnen drong de moeder Grendels.
Nochtans de vrees was minder groot dan vroeger,
Zooveel als kracht en kampgrim van de vrouwen
Tot strijders staat, als 't goudomgeven slagzwaard [259],
De hardgeklonken kling, de bloedgekleurde,
1310 Scherpvlijmig scheert den ever van de helmen.
Het taaie zwaard werd in de hal getogen,
De degen over hunne banken henen [260],
Geheven menig schild met forsche handen
Niet dacht aan helm, niet aan het groote harnas,
1315 Wien overviel de vrees. [261] De vijand ijlde,
Hij wilde weg van hier, het lijf behoeden,
Nu dat hij was ontdekt. Toch greep hij gretig
Een ridder [262] vast bij 't vluchten naar de venen.
Dit was des konings meest beminde kamper
1320 Van zijn gevolgschap bij de beide zeeën,
Een schrikbaar schildheld, dien hij doodde op 't leger,
Een hooggevierde borst. Niet was er Beowulf;
Want na de uitdeeling werd een andre woning
Den Goot, den wijdvermaarden, aangewezen.
1325 Geraas verrees in Heorot. Hij ontvoerde
De roodbebloede hand, de wijdberuchte. [263]
Het wee was weer vernieuwd in hunne woning.
Niet deeglijk was de handel, dat de helden
Betalen moesten met der makkers leven
1330 De boozen beiderzijds [264]. De vorst [265], de vroede,
De grijze wapenheld, was wild te moede,
Toen levenloos hij wist den waardsten raadsman.
In aller ijle werd uit zijne woning
Gehaald de held, de zegeblijde, Beowulf.
1335 Voor dag en dauw nog spoedde met zijn mannen
De held zich heen, de koengestemde kamper,
Alwaar de wijze Hrodgar zat te wachten,
Of de Algebieder na die bange boodschap
Hem ooit een wending wilde voorbewaren.
1340 Hij stapte langs den vloer de wapenstoute
Met zijnen drom, (het hout der halle dreunde)
Den wijzen Denenheer met woorden welkom
Te heeten, vroeg, of, naar zijn heusche wenschen [266],
Voor hem ook heilvol was geweest de nachtrust.