Een beker werd hem nu gereikt, met woorden
Hem toegebracht de heusche bee te drinken,
Ringvormig goud werd huldevol geboden,
1215 Armtooisels twee en ring en rusting, 't grootste
Der halssieraân, waarvan ik hoorde op aarde.
Nooit hoorde ik van een held zoo heilvol onder
Het hemellicht door schatten, sedert Hama [231]
Naar zijnen hoogen burg den Brosinghalsband [232]
1220 (Den kostbren schat) met dezes schrijn ontvoerde. [233]
Hij nam de vlucht voor Ermenrics vervolging [234]
En koos zich 't eeuwig heil [235].--Der Gooten Hyglac
Was in 't bezit des rings [236] de laatste reize.
De kleinzoon Swertings [237], toen, den schat beschuttend,
1225 Hij voor den slagbuit [238] streed bij zijnen standerd.
Toen rukte Wyrd hem weg [239], terwijl hij moedig
Het wee doorstond, de worstling met de Friezen.
Den smuk, de kostbre steenen, had de koning
Toen meegebracht langsheen der baren beker.
1230 Daar viel hij onder 't schild. Het lijk des vorsten
Geraakte in Frankenhand [240] met ring en borstkleed;
Want na beslechting van den slag beroofden
Er slechter kampvermeetlen [241] de verslagenen;
De Gootenlieden bleven op de lijkstee.--
1235 Zij nam het halskleinood {36} en Wealchtheow zeide
En voor de volkschaar sprak zij: «Beste Beowulf
Gebruik met heil, o jonge held, dien halsring;
Aanvaard dit harnas, deze kostbaarheden.
Gedij ter dege. Word bekend door krachten
1240 En wees mijn zoon ook [242] welgezind door lessen.
Ik wil daarom uw loon gedachtig wezen.
Gij hebt bewerkt, dat heinde en ver de helden
U steeds, zoover haar windomwaaide stranden
De zee bespoelen zal, u zullen achten.
1245 o, Wees, zoolang gij leeft, een rijke ridder.
Ik gun u dezen goudschat. Wees door daden
Mijn zonen vriendelijk, gij vreugderijke.
Elk krijger hier is heel verknocht den andren
En mild van zin, den mannenheer gehoorzaam.
1250 Wilvaardig zijn de helden, 't volk is volgzaam.
Ik bid u, blijft zoo handlen [243], drankverheugden {37}.»
Vervolgens richtte zij zich naar den zetel.
Het maal was keurig. Wijn de mannen dronken.
Zij wisten van geen Wyrd, geen nare noodlot,
1255 Gelijk het moest vergaan met menig edele [244],
Nadat verschenen was de schemeravond,
En Hrodgar heenging naar zijn hof, de hooge,
Naar zijne rust. Een reuzig tal van ridders [245]
Behoedde weer, als vroeger [246] vaak, de halle.
1260 Den bankvloer ruimden ze op [247]. Hij werd in 't ronde
Geheel bedekt met bedden en met bolsters.
Reeds vlijde zich een schenker [248] op het vloerbed,
Den dood vervallen, veeg {38}. Het strijdschild stelden
Zij aan het hoofd, het schitterende schildhout.
1265 Daar op de bank was boven de edellieden {39}
De hooge helm te zien, 't gevlochten harnas,
't Geweldig krachthout. 't Waren hun gewoonten
Van steeds ten strijde kant en klaar te wezen,
In 't heir en thuis en tevens op elk tijdstip,
1270 Wanneer de nooddwang voor den volksbeheerscher
Zich op mocht werpen. [249] 't Was een wakkre schare.