De strijdschaar ging, verstoken van de vrienden,
1140 De woon bezoeken, Friesland weer begroeten,
De huizen met den heerschersburcht [215] {30}. Dan Hengest
Verwijlde noch dien bloeddoorweekten winter
In alles een [216] bij Finn, het heim geheugend.
Toch was hij niet in staat in zee te sturen
1145 Den staalomwonden steven, 't Water bruiste
Door stormen op, het worstelde met winden.
De winter sloot het water in de ijsboei,
Totdat een ander jaar alweder daagde
In hunne woon, het heerlijk heldre weder,
1150 Dat immer volgt, als nu, zijn vaste beurten. {31}
Zoo was het wintertij alweer verstreken;
Der aarde schoot was schoon. De strijder streefde,
De gast, te ontwijken deze woon, doch haakte
Naar moordvergelding meer dan naar de zeereis,
1155 Of hij verkrijgen kon een toornig treffen,
Om daar het Friezenzaad te zijn gedachtig. [217]
Dus weigerde hij niet de wapenlieden, {32}
Als Hun de kampvlam Lafing nederlegde
Op zijnen schoot, 't onschatbaarst aller wapens;
1160 Want bij de Friezen was bekend het krijgstuig. [218] {33}
Als Hnäf, zoo greep nu Fin, den fiergezinden,
De wilde wapendood in zijne woning,
Nadat Gudlaf en Oslaf [219], na de golfvaart [220],
Den ruwen storm op Hnäf eerst rouwvol hadden
1165 Verkond, verweten hunne harde weeën.
Hun rusteloos gemoed was niet bij machte
Zich in te houden [221] {34}. Bloedig was de halle
Door Friezenlijken. Ook werd Finn, de heerscher,
Verslagen in het midden zijner manschap,
1170 En heengevoerd de koninginne Hildburg {35}.
De Deensche schutters droegen naar de schepen
Geheel de have van den landbeheerscher,
Alwat ze in Finnes woning konden vinden
Aan smuk, aan smaakvol ingezet gesmijde.
1175 Zij leidden de edelvrouwe [222] langs den zeeweg
Tot bij de Denen, naar de stamgenooten.»
Gezongen was het lied, de zang des dichters.
Weer rees geruisch, het bankgeschater schalde,
De schenkers schonken wijn uit wonder vaatwerk.
1180 Nu kwam gegaan met gouden hoofdwrong Wealchtheow,
Waar oom en broederzoon [223], de dappren, zaten.
De bloedverwantschap was nog eenig [224], beiden
Elkander hou en trouw. Ook zat er Hunferd,
De spreker, aan den voet des Schyldingvorsten.
1185 Zij waren zeker van zijn zin, dat deze
Veel moed bezat, ofschoon hij niet rechtschapen
Met zijne broeders was geweest in 't wapen. [225]
En Wealchtheow nam het woord, vorstin der Schyldings:
«Ontvang, o mijn gebieder, dezen beker,
1190 O, Goudbegever. Wees nu wel te moede
O, Schatvriend van de schaar. Spreek toe uw Gooten
Met milden mond. Zoo moet een krijgsman handelen.
Wees voor uw Gooten goed, de gift gedachtig.
Ja, heinde en verre hebt gij nu den vrede.
1195 Men zegde mij, dat gij tot zoon verlangdet
Den held [226] te hebben. Thans is Heort gereinigd,
De weidsche ringzaal. Spil nu veel juweelen,
Zoolang gij zulks vermoogt; doch laat uw zonen [227]
Het land met luiden na, wanneer gij henen
1200 Zult zijn gegaan, des Scheppers glans te schouwen. [228]
Ik ken mijn heuschen Hrodulf, die de knapen
Waardeeren zal, indien gij, scherm der Schyldings,
Het leven eer dan hij verlaat. [229] Ik hope,
Dat hij met goed vergelden zal ons zonen,
1205 Indien hij 't al gedenkt, de vroeger diensten,
Die wij hem, zijnde nog een wicht, bewezen
Naar wensch en eere.» Thans begaf zich Wealchtheow
Ter zitplaats heen, waar zaten hare zonen,
Hredric en Hrodmund, met de heldentelgen,
1210 De strijdjeugd saam. Daar [230] zetelde ook de stoute,
Der Gooten Beowulf, bij de twee gebroeders.