De heer der helden gaf aan elk dergenen,
1065 Die stevenden met Beowulf langs den stroomweg,
Ter meebank kostbaarheden met een erfzwaard.
Hij zei, men zou met goud den man [185] vergelden,
Dien Grendel eer zoo gruwzaam had verslonden;
Gelijk hij had bestemd aan velen hunner,
1070 Had hem niet afgeweerd de wijze Godheid
Met Wyrd [186] en moed des mans. De Heer behoedde
Het heele menschdom, als hij doet tot heden.
Daarom zal overal die overtuiging
Het beste zijn, dit overleg van 't binnenst.
1075 Die lang hier 't leven smaakt zal veel bevinden,
Veel lief en leed in deze worsteldagen. [187] [188]
Nu werd er veel gezang en spel te zamen
Vereenigd over Hnäf [189], den heervoogd Healfdeens; {26}
Nu werd de harp gegroet, het hout der vreugde,
1080 De spreuk ontsponnen. 't Was nu halleweelde. {27}
Langsheen de medezetels zou de zanger
Van Hrodgar [190] zingen over Finnes zonen [191],
Ten tijde toen hen overrompling [192] aangreep:
«Der Schyldings Hnäf, Half-Denen [193] held, moest sneven
1085 Op 't Friezenveld [194]. Voorwaar, niet hoefde Hildburg [195]
Te loven Eotentrouw [196], der lieve loten
En broeders [197] schuldeloos beroofd bij 't schildspel;
Zij stortten, speerdoornageld, in hun noodlot.
Het was een droeve vrouw! Met recht beweende
1090 Zij, Hokes dochter, toen de morgen daagde [198],
Des Hemels schikking, nu zij kon beschouwen
Bij 't helder hemellicht den moord der magen,
In wie zij vroeger vond de hoogste weelde.
't Gevecht, op weinig na, had weggenomen
1095 De helden Fins, zoodat hij op de dingplaats [199]
Niets hoegenaamd op Hengest [200] kon bevechten,
Noch met geweld de armzaalge rest der zijnen
Beschutten voor den veldheer van den koning [201] {28}.
Zij [202] boden dus verdragen aan. Den Denen
1100 Ontruimden zij geheel een tweede halle,
Een zaal en zetelwoon; zoodat de Denen
Het half gezag bezitten zouden tegen
Der Eoten kroost, en Fin, de zoon van Folcwald,
Bij 't geldbedeelen elken dag de Denen
1105 Beschonk en Hengest' schaar onthaalde op ringen
Zoo gul, op kostbaar goed van goud, als wilde [203]
Hij 't Friezenvolk aanvuren in de drinkzaal.
Zij sloten beiderzijds het vaste bondschap,
En hecht, onwrikbaar zwoer het Fin aan Hengest,
1110 Dat hij de resten van de ramp [204] in eere
Zou houden volgens 't oordeel van de raden [205];
Dat hunner [206] niemand noch door woord noch werken
Het bond ooit breken zou, door arglist letten,
Ofschoon zij vorstenloos den dooder volgden
1115 Huns ringuitdeelers, daar de nood hen noopte. [207]
Indien der Friezen een de vroegre veete
Gedenken mocht door overmoedig spreken,
Dan zou de snede van het zwaard het straffen.
Dan afgelegd was de eed, ontleend der schatkist
1120 Het glanzend goud [208]. De koenste wapenkrijger [209]
Der Leger-Schyldings lag gereed ter vuurmijt.
Op dezen stapel was zeer wel te ontwaren
Het bloedbesmeurde harnas met een helmzwijn,
Geheel van goud, een ever hard als ijzer, [210]
1125 En menig eedle weggerukt door wonden.
Er waren velen in den kamp gevallen!
Dan Hildeburg beval op 's broeders brandmijt [211]
Te leveren aan de laai haar eigen zonen, {29}
Te branden 't beenderstel, op 't vuur te brengen.
1130 De ontroostbre vrouwe treurde bij den schouder [212]
In klaaggezang. De held werd recht geheven.
De breede lijkbrand wond zich tot de wolken,
Opbruisend voor den heuvel [213]. Hunne hoofden
Zij slonken weg; de mond der wonden barstte,
1135 Het bloed ontsprong de letsels van het lichaam;
De vlam verzwolg hen gansch, der geesten vratigst
Hen allen, die de strijd uit beide stammen [214]
Had weggesleept. Zoo was hun vaag gevloden.