XVI.

Bevolen werd, inwendig Heort met handen

1005 Te smukken onverwijld. Er was een menigt

Van mannen daar en maagden, die de wijnzaal

Versierden, 't gastverblijf. Goudblikkrend blonken

De weefsels [175] langs den wand, een wonder schouwspel

Voor alle strijders, welke zulks bestaren.

1010 Het weidsch gebouw, geheel met ijzren bouten

Bevestigd, was van binnen zeer gebarsten.

De harren waren stuk. Slechts hield van 't heele

Nog ongedeerd het dak, nadat de booswicht,

Ter dood verwezen door zijn wanbedrijven,

1015 De vlucht gezocht had zonder hoop op leven.

Dit [176] valt niet licht te ontvluchten, (laat het iemand

Verrichten, wie het wil) hij zal bereiken

Door nood genoopt de vastgestelde stede

Voor al 't bezielde, voor de menschenzonen,

1020 De landbewoners, zelfs alwaar zijn lichaam [177],

Geboeid op 't legerbed na feestgelagen,

Is ingedommeld [178] {25}.--'t Was alsdan de dagstond [179],

Dat naar de hal de zoon van Healfdeen heentoog.

Voornemens was de vorst het maal te nutten.

1025 'k Vernam, dat nooit een stam, zoo rijk aan strijders,

Zich beter hield in 't bijzijn van den schatheer.

Ter rustbank negen toen de roembezitters,

(Terwijl hun magen bij den vollen maaltijd

Hun hart ophaalden, menig medebeker

1030 Ontvingen hoffelijk) Hrodgar en Hrodulf [180],

De sterkgezinden, in de steile woning.

Met vrienden was vervuld de hal [181]; nog hadden

De Denen geen beruchte daân berokkend.

Healfdeens geboorne gaf alsdan aan Beowulf

1035 Een gulden legervaan tot loon der zege,

Een standaard, goudgestikt, met eene handvat,

En helm en harnas. Menigeen bemerkte,

Hoe vóór den vorst [182] een prachtvermaarde pronkzwaard

Werd aangebracht. En Beowulf greep den beker

1040 Ter halle vast. Hij had zich voor de schutters

Der schatgift niet te schamen. Nooit vernam ik,

Dat bij de bierbank menig man den andren

Vier gaven guller schonk, voorzien met goudwerk.

Rondom het helmdek had de hoofdbeschutting,

1045 Met kronkeldraad omkruist, uitwendig knoppen,

Opdat hem koen de blankgevijlde klingen,

De kampgeharde, nimmer konden deren,

Wanneer de schildheld naar den vijand optrok.

Der ridders heul beval een achttal rossen [183],

1050 Met goud gebreideld, voor de woon te brengen

Tot in de zaal. Een dezer dekte een zadel

Van kunstig werk, versierd met kostkleinooden.

Dit was het kampzaal van den hoogen koning,

Als Healfdeens zoon het zwaardspel wilde zoeken.

1055 Nooit aan de legerspits, als lijken vielen,

Bezweek de heldenmoed des strijdvermaarden.

Beschikking schonk daarop der Denen [184] schutsheer

Aan Beowulf over beide, ros en rusting,

En bracht hem toe den wensch, ze wel te bruiken.

1060 Zoo ridderlijk vergold met goud en rossen

Het kampgeraas de wijdberoemde koning,

De schatheer van den stam; gelijk geen sterveling,

Die waarheid spreekt naar recht, het zal berispen.

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 102 / 137 题