XV

940 En Hrodgar zei: (hij was ter hal gewandeld,

Stond op de stoep [170] en staarde naar de steile

Goudhelle deur en naar de hand van Grendel) {23}

«Nu dra gedankt den schepper voor dit schouwspel,

'k Beleefde talloos leed en hinderlagen

945 Door Grendel. God, der heerlijkheden hoeder,

Bewerken kan Hij wonder boven wonder. [171]

Nog onlangs was 't, dat ik van geen der weeën

Nog hulp verhoopte voor het later leven,

Toen bloedigbont daar stond en zwaardbezoedeld

950 Het heerlijkst huis. De ramp had alle raden

Verdreven wijd en zijd, die waanden geenszins

Der lieden burcht in later tijd te schutten

Voor vijandschap, voor schaduwgeest en schimmen.

Nu heeft een held volvoerd door 's hemels voeging

955 Een waagstuk, welk voorheen niet een der onzen

Bewerkte door beleid. Voorwaar, de vrouwe,

Wie zij ook zij [172], die dezen zoon eens baarde

Te midden van het menschdom, mag wel zeggen,

Mits deze leeft, dat bij des kinds geboorte

960 Haar gunstig is geweest de aloude Godheid.

Nu wil ik u, mijn Beowulf, waardste ridder,

Gelijk een zoon in mijne ziel beminnen.

Bewaar toch wel voortaan uw tweede maagschap;

Niet zal u mangel zijn aan een der schatten

965 Ter wereld, over welke ik kan bevelen.

Ik deelde dikwerf loon voor minder daden,

Sieraden rond aan een geringer kamper,

Een trager tot den krijg. Gij hebt verkregen

Gij zelf door daden, dat uw roem zal duren

970 Altoos voor later tijd. Met goed begeve

U de Albeheerscher, als hij deed tot heden.»

En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:

«Dit heldenwerk volbrachten wij, die worstling

Volgaarne en tartten boud de kracht des boozen;

975 Ik wenschte zeer, gij hadt gezien den vijand

In zijnen tooi [173], tot stervens toe ontzenuwd.

Ik dacht hem dra met vaste vuist te boeien

Op 't bed des doods, zoodat hij door mijn handgreep

Doodmoede zwichten moest, tenzij zijn lichaam

980 Ontkwam. Ik kon hem, daar het God niet gunde,

Niet stuiten in de vlucht. Ik had zoo stevig

Hem geenszins vastgeklampt, den levensvijand;

Te snel was de onverlaat in 't henenloopen.

Toch liet hij hier de hand tot levensredding

985 Getuigen zijnen tocht, en arm en schouder.

Geen troost nochtans erlangde 't ellendig wezen.

Niet langer leeft hij meer de leedbesteller,

Door schuld benard; hem heeft met norsche grepen

Eng pijn omklemd in doodelijke kluisters.

990 Ontbeiden zal de man, belaân met misdaân,

De groote dagvaart [174] daar, op welke wijze

De stralende Albestuurder hem zal straffen.»

Dan zwijgzaam was de zoon van Ecglaf, Unferd,

Met woordenpraal op eigen wapenfeiten,

995 Nadat de ridders, dank de kracht des vorsten,

Daar voor de hooge deur de hand bestaarden,

Des vijands vingers, ieder voor zich zelven.

Met staal was ieder van de sterke nagels

Te vergelijken {24}, de handspoor van den heiden,

1000 De ontzetbre klauwen van den kampgezinde.

Elk zeide: geen zoo goedbewezen wapen

Der dappren kon hem deren, noch den daemon

De roodbebloede worstelrechte schenden.

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 101 / 137 题