940 En Hrodgar zei: (hij was ter hal gewandeld,
Stond op de stoep [170] en staarde naar de steile
Goudhelle deur en naar de hand van Grendel) {23}
«Nu dra gedankt den schepper voor dit schouwspel,
'k Beleefde talloos leed en hinderlagen
945 Door Grendel. God, der heerlijkheden hoeder,
Bewerken kan Hij wonder boven wonder. [171]
Nog onlangs was 't, dat ik van geen der weeën
Nog hulp verhoopte voor het later leven,
Toen bloedigbont daar stond en zwaardbezoedeld
950 Het heerlijkst huis. De ramp had alle raden
Verdreven wijd en zijd, die waanden geenszins
Der lieden burcht in later tijd te schutten
Voor vijandschap, voor schaduwgeest en schimmen.
Nu heeft een held volvoerd door 's hemels voeging
955 Een waagstuk, welk voorheen niet een der onzen
Bewerkte door beleid. Voorwaar, de vrouwe,
Wie zij ook zij [172], die dezen zoon eens baarde
Te midden van het menschdom, mag wel zeggen,
Mits deze leeft, dat bij des kinds geboorte
960 Haar gunstig is geweest de aloude Godheid.
Nu wil ik u, mijn Beowulf, waardste ridder,
Gelijk een zoon in mijne ziel beminnen.
Bewaar toch wel voortaan uw tweede maagschap;
Niet zal u mangel zijn aan een der schatten
965 Ter wereld, over welke ik kan bevelen.
Ik deelde dikwerf loon voor minder daden,
Sieraden rond aan een geringer kamper,
Een trager tot den krijg. Gij hebt verkregen
Gij zelf door daden, dat uw roem zal duren
970 Altoos voor later tijd. Met goed begeve
U de Albeheerscher, als hij deed tot heden.»
En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
«Dit heldenwerk volbrachten wij, die worstling
Volgaarne en tartten boud de kracht des boozen;
975 Ik wenschte zeer, gij hadt gezien den vijand
In zijnen tooi [173], tot stervens toe ontzenuwd.
Ik dacht hem dra met vaste vuist te boeien
Op 't bed des doods, zoodat hij door mijn handgreep
Doodmoede zwichten moest, tenzij zijn lichaam
980 Ontkwam. Ik kon hem, daar het God niet gunde,
Niet stuiten in de vlucht. Ik had zoo stevig
Hem geenszins vastgeklampt, den levensvijand;
Te snel was de onverlaat in 't henenloopen.
Toch liet hij hier de hand tot levensredding
985 Getuigen zijnen tocht, en arm en schouder.
Geen troost nochtans erlangde 't ellendig wezen.
Niet langer leeft hij meer de leedbesteller,
Door schuld benard; hem heeft met norsche grepen
Eng pijn omklemd in doodelijke kluisters.
990 Ontbeiden zal de man, belaân met misdaân,
De groote dagvaart [174] daar, op welke wijze
De stralende Albestuurder hem zal straffen.»
Dan zwijgzaam was de zoon van Ecglaf, Unferd,
Met woordenpraal op eigen wapenfeiten,
995 Nadat de ridders, dank de kracht des vorsten,
Daar voor de hooge deur de hand bestaarden,
Des vijands vingers, ieder voor zich zelven.
Met staal was ieder van de sterke nagels
Te vergelijken {24}, de handspoor van den heiden,
1000 De ontzetbre klauwen van den kampgezinde.
Elk zeide: geen zoo goedbewezen wapen
Der dappren kon hem deren, noch den daemon
De roodbebloede worstelrechte schenden.