850 En met den morgen schoolden om de schenkzaal
Veel strijders samen, volgens mijn ervaren [149].
Volksvoerders togen heen van heinde en verre
Langs verre wegen om te zien het wonder,
Des vijands voetspoor [150]. Niemand van de helden
855 Scheen leedvol toe de slaking van zijn leven,
Die gadesloeg den gang des roemberoofden,
Hoe deze, doodvermoeid, van daar ontduikend,
Gekortwiekt door den kamp, naar 't meer der nikkers
Voortvluchtig, veeg, zijn stervenssporen strooide.
860 Daar was met aderbloed het wellend water,
De gruwbre dans der golven gansch gemengeld
Met rookend bloed; daar zwalpte van het zwaardbloed
Het moordgepurperd meer, nadat hij 't leven,
Der vreugde vreemd, had afgelegd in 't veenoord,
865 [151]De heidenziele, waar de hel hem opnam. {18}
Van hier begaven zich de grijze helden
En menig jonge man, na 't vroolijk mennen,
Kloekmoedig van het meer terug op rossen,
De krijgers op hun appelgrauwe kleppers.
870 Verbreid werd Beowulfs faam. Vaak tuigden velen,
Dat zuid- noch noordwaarts tusschen tweelingzeeën [152],
Op 't wereldrond, beneên 't bereik der wolken,
Een ander hooger was der schildverheffers
En waardiger 't bewind. Voorwaar, niet laakten
875 Zij hunnen heer en vriend, den milden Hrodgar;
Daar 't was een duchtig vorst [153]. Bij wijlen lieten
De helden hunne vale rossen rennen
Ten wedstrijd, waar hun schoon de paden schenen
En puik beproefd. Dan vond een held des vorsten,
880 Een strijder stoutbespraakt, de spreuk indachtig,
Wien heel een schat aloude sagen heugde [154],
Naar eisch gerangschikt nieuwberijmde woorden. {19}
Dan weer begon de borst het waagstuk Beowulfs
Kunstvaardig voor te dragen en gevoeglijk
885 De welgekozen spreuken uit te spinnen,
Met woorden wisselend. Elk liet nu weten [155], {20}
Alwat hij van de wapenfeiten Sigmunds
Had hooren konden, veel van 't onbekende,
Den kamp des Walsings [156], zijne wijde vaarten,
890 Zijn veete met zijn vijandschap, van welke
De menschenkindren gansch onkundig waren,
Behalve Fitela [157] alleen, zijn helper;
Indien hij zulks gewillig was te zeggen,
Als oom aan neef, naardien zij toch voortdurend
895 Bij elke veete wapenmagen waren.
Zij hadden velen van het rot der reuzen [158]
Verpletterd met den degen. Na zijn doodsdag
Verrees een niet geringe roem voor Sigmund,
Toen hij, de weerbre bij het slaggeworstel,
900 Den vuurdraak [159] had geveld, der schatten hoeder.
Van onder eene grijze rots verrichtte
De koningsspruit alleen de stoute lofdaad.
Niet was er Fitela. Nochtans het lukte
Hem, dat de kling den wonderworm doorkloofde,
905 Dat steken bleef het heerlijk staal ten rotswand.
Geweldig was het sneven van den vuurdraak.
Krachtdadig had de wapenheld verkregen,
Naar eigen wil den ringschat aan te wenden.
Hij laadde een zeeboot. Walses zoon vervoerde
910 Klinkklare schatten op den schoot des vaartuigs,
Terwijl de reuzenworm, de heete, wegsmolt.
Ja, deze was wel verreweg bij 't menschdom
De meest vermaarde held, de schuts der mannen
Door wapendaân, (hij wies daarom in luister)
915 Sinds Heremodes kampzin was verminderd,
Zijn macht en heldendeugd. {21} In 's vijands handen
Bij 't reuzendom [160] werd Sigmund sinds verraden [161],
Verdreven dra. Hem had de drang der zorgen
Te lang verlamd: hij werd voor zijne lieden,
920 Zijn eedle kampers al tot levenskommer [162]. {22}
Zoo ook betreurde vaak in vroeger tijden
Wel menig schrander man 't vertrek des koenen [163],
Die hulp der kwalen had verwacht bij Heermod,
Dat deze vorstentelg in eer zou vordren,
925 Ontvangen 's vaders adel, 't volk besturen,
Den schat en heerschersburg, het rijk der helden,
Der Schyldings stamgebied. [164]--De bloedvriend Hyglacs [165]
Verstrekte heel den heldenstam, den vrienden,
Tot vreugde; boosheid viel te beurt aan gene [166].
930 Wedrennend maten zij temet op rossen
De bonte baan. Gevorderd, voortgeschreden
Was 't morgenlicht [167]. Wel menig leenman richtte
Zich toen kloekhartig naar de hooge halle,
Het wonderfeit [168] te zien. De koning zelve
935 Verliet nu insgelijks 't vertrek der gade,
De hoeder van den schat, de luistervaste,
Bekend door kundigheên, met grooten heirstoet;
En langs den medeweg [169] begaf zich mede
Zijn echtgenoote met den sleep van maagden.