XIV.

850 En met den morgen schoolden om de schenkzaal

Veel strijders samen, volgens mijn ervaren [149].

Volksvoerders togen heen van heinde en verre

Langs verre wegen om te zien het wonder,

Des vijands voetspoor [150]. Niemand van de helden

855 Scheen leedvol toe de slaking van zijn leven,

Die gadesloeg den gang des roemberoofden,

Hoe deze, doodvermoeid, van daar ontduikend,

Gekortwiekt door den kamp, naar 't meer der nikkers

Voortvluchtig, veeg, zijn stervenssporen strooide.

860 Daar was met aderbloed het wellend water,

De gruwbre dans der golven gansch gemengeld

Met rookend bloed; daar zwalpte van het zwaardbloed

Het moordgepurperd meer, nadat hij 't leven,

Der vreugde vreemd, had afgelegd in 't veenoord,

865 [151]De heidenziele, waar de hel hem opnam. {18}

Van hier begaven zich de grijze helden

En menig jonge man, na 't vroolijk mennen,

Kloekmoedig van het meer terug op rossen,

De krijgers op hun appelgrauwe kleppers.

870 Verbreid werd Beowulfs faam. Vaak tuigden velen,

Dat zuid- noch noordwaarts tusschen tweelingzeeën [152],

Op 't wereldrond, beneên 't bereik der wolken,

Een ander hooger was der schildverheffers

En waardiger 't bewind. Voorwaar, niet laakten

875 Zij hunnen heer en vriend, den milden Hrodgar;

Daar 't was een duchtig vorst [153]. Bij wijlen lieten

De helden hunne vale rossen rennen

Ten wedstrijd, waar hun schoon de paden schenen

En puik beproefd. Dan vond een held des vorsten,

880 Een strijder stoutbespraakt, de spreuk indachtig,

Wien heel een schat aloude sagen heugde [154],

Naar eisch gerangschikt nieuwberijmde woorden. {19}

Dan weer begon de borst het waagstuk Beowulfs

Kunstvaardig voor te dragen en gevoeglijk

885 De welgekozen spreuken uit te spinnen,

Met woorden wisselend. Elk liet nu weten [155], {20}

Alwat hij van de wapenfeiten Sigmunds

Had hooren konden, veel van 't onbekende,

Den kamp des Walsings [156], zijne wijde vaarten,

890 Zijn veete met zijn vijandschap, van welke

De menschenkindren gansch onkundig waren,

Behalve Fitela [157] alleen, zijn helper;

Indien hij zulks gewillig was te zeggen,

Als oom aan neef, naardien zij toch voortdurend

895 Bij elke veete wapenmagen waren.

Zij hadden velen van het rot der reuzen [158]

Verpletterd met den degen. Na zijn doodsdag

Verrees een niet geringe roem voor Sigmund,

Toen hij, de weerbre bij het slaggeworstel,

900 Den vuurdraak [159] had geveld, der schatten hoeder.

Van onder eene grijze rots verrichtte

De koningsspruit alleen de stoute lofdaad.

Niet was er Fitela. Nochtans het lukte

Hem, dat de kling den wonderworm doorkloofde,

905 Dat steken bleef het heerlijk staal ten rotswand.

Geweldig was het sneven van den vuurdraak.

Krachtdadig had de wapenheld verkregen,

Naar eigen wil den ringschat aan te wenden.

Hij laadde een zeeboot. Walses zoon vervoerde

910 Klinkklare schatten op den schoot des vaartuigs,

Terwijl de reuzenworm, de heete, wegsmolt.

Ja, deze was wel verreweg bij 't menschdom

De meest vermaarde held, de schuts der mannen

Door wapendaân, (hij wies daarom in luister)

915 Sinds Heremodes kampzin was verminderd,

Zijn macht en heldendeugd. {21} In 's vijands handen

Bij 't reuzendom [160] werd Sigmund sinds verraden [161],

Verdreven dra. Hem had de drang der zorgen

Te lang verlamd: hij werd voor zijne lieden,

920 Zijn eedle kampers al tot levenskommer [162]. {22}

Zoo ook betreurde vaak in vroeger tijden

Wel menig schrander man 't vertrek des koenen [163],

Die hulp der kwalen had verwacht bij Heermod,

Dat deze vorstentelg in eer zou vordren,

925 Ontvangen 's vaders adel, 't volk besturen,

Den schat en heerschersburg, het rijk der helden,

Der Schyldings stamgebied. [164]--De bloedvriend Hyglacs [165]

Verstrekte heel den heldenstam, den vrienden,

Tot vreugde; boosheid viel te beurt aan gene [166].

930 Wedrennend maten zij temet op rossen

De bonte baan. Gevorderd, voortgeschreden

Was 't morgenlicht [167]. Wel menig leenman richtte

Zich toen kloekhartig naar de hooge halle,

Het wonderfeit [168] te zien. De koning zelve

935 Verliet nu insgelijks 't vertrek der gade,

De hoeder van den schat, de luistervaste,

Bekend door kundigheên, met grooten heirstoet;

En langs den medeweg [169] begaf zich mede

Zijn echtgenoote met den sleep van maagden.

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 100 / 137 题