De schuts der scharen wilde op geene wijze
Den doodsbedreiger in het leven laten,
810 Hem docht zijn levensdag aan niemand nuttig.
Toen zwaaide 't erfzwaard menig makker Beowulfs;
Zij wilden 't hoofd vrijwaren van den heerscher [146],
Den wijdvermaarden meester, naar vermogen.
Zij wisten niet, terwijl zij slagen sloegen,
815 De strijdontstoken kampers, dezen dachten
Te houwen halverwijs, de ziel te zoeken,
Dat noch het beste staal, noch oorlogsbijlen
Op 't wereldrond den woestaard wilden deren.
Hij had bezworen al de zegezwaarden
820 En elk geweer. Toch zou armzalig wezen
Het einde zijns bestaans op deze stonde,
In 's vijands macht de vreemde geest vervallen. [147]
Hij ondervond, die vaak met hartevreugde
Zijn moed weleer aan 't kroost der menschen koelde,
825 (Hij toornde tegen God) dat langer 't lichaam
Niet wilde volgen, want de dappre dienstmaag
Van Hygelac omknelde hem de handen.
Zoolang de een leefde, was 't den andre leedvol.
't Verwaten wezen vond er leed des lichaams;
830 Ten schouder werd de onheelbre wonde schouwbaar,
De zenuw zwichtte, 't beengetimmert barstte;
Aan Beowulf bleef de zege. Grendel zoude
Van daar ten dood gewond ter veenklip vlieden
En zoeken zijne weeldelooze woning [148].
835 Hij wist te wel: zijn einde was genaderd,
Des daarzijns dagental. Nu was den Denen
Verwezenlijkt de wensch na 't wapenwoeden.
Hij, die te voren landde van zoo verre,
Had kloek en koengezind de zaal van Hrodgar
840 Gereinigd, voor den overval beveiligd.
Hij smaakte nu genot in 't nachtlijk waagstuk,
In 't heldenfeit. Nu had de Gootenheerscher
Zijn stoute taal gestand gedaan den Denen
En ook gelenigd alle leed en kampzorg,
845 Voorheen door hen beleefd, uit drang gedragen;
Geen kleine kwaal. Dit was toch klaar een teeken,
Toen voor de ruime deur de strijdgeduchte
De hand geslingerd had met arm en schouder. {17}
Daar lag te hoop de heele greep van Grendel.