XIII.

De schuts der scharen wilde op geene wijze

Den doodsbedreiger in het leven laten,

810 Hem docht zijn levensdag aan niemand nuttig.

Toen zwaaide 't erfzwaard menig makker Beowulfs;

Zij wilden 't hoofd vrijwaren van den heerscher [146],

Den wijdvermaarden meester, naar vermogen.

Zij wisten niet, terwijl zij slagen sloegen,

815 De strijdontstoken kampers, dezen dachten

Te houwen halverwijs, de ziel te zoeken,

Dat noch het beste staal, noch oorlogsbijlen

Op 't wereldrond den woestaard wilden deren.

Hij had bezworen al de zegezwaarden

820 En elk geweer. Toch zou armzalig wezen

Het einde zijns bestaans op deze stonde,

In 's vijands macht de vreemde geest vervallen. [147]

Hij ondervond, die vaak met hartevreugde

Zijn moed weleer aan 't kroost der menschen koelde,

825 (Hij toornde tegen God) dat langer 't lichaam

Niet wilde volgen, want de dappre dienstmaag

Van Hygelac omknelde hem de handen.

Zoolang de een leefde, was 't den andre leedvol.

't Verwaten wezen vond er leed des lichaams;

830 Ten schouder werd de onheelbre wonde schouwbaar,

De zenuw zwichtte, 't beengetimmert barstte;

Aan Beowulf bleef de zege. Grendel zoude

Van daar ten dood gewond ter veenklip vlieden

En zoeken zijne weeldelooze woning [148].

835 Hij wist te wel: zijn einde was genaderd,

Des daarzijns dagental. Nu was den Denen

Verwezenlijkt de wensch na 't wapenwoeden.

Hij, die te voren landde van zoo verre,

Had kloek en koengezind de zaal van Hrodgar

840 Gereinigd, voor den overval beveiligd.

Hij smaakte nu genot in 't nachtlijk waagstuk,

In 't heldenfeit. Nu had de Gootenheerscher

Zijn stoute taal gestand gedaan den Denen

En ook gelenigd alle leed en kampzorg,

845 Voorheen door hen beleefd, uit drang gedragen;

Geen kleine kwaal. Dit was toch klaar een teeken,

Toen voor de ruime deur de strijdgeduchte

De hand geslingerd had met arm en schouder. {17}

Daar lag te hoop de heele greep van Grendel.

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 99 / 137 题