Van 't moer begaf uit mistomgeven klippen
725 Zich Grendel thans. Hij droeg den toorn der Godheid.
De dooder meende van het volk der mannen
Er veel te omstrikken in de steile halle.
Daar sloop hij henen onder 't wolkenhulsel,
Tot waar hij zeker wist, dat stond de wijnzaal,
730 Der Gooten goudwoon [131] blinkend van het bladgoud.
Het was niet de eerste wijl, dat hij de woonstee
Van Hrodgar had bezocht. Doch nooit of nimmer
Ontmoette die in zijne levensdagen
Een weerbrer held en wachters van de woning.
735 Nu was het wezen, vreemd aan alle vreugde,
Tot bij den bouw gegaan en open gierde
Aanstonds de deur, gestut door ijzren staven,
Zoodra hij haar beroerde met de handen.
De wrevelzieke, woedend was hij, wrikte
740 Der halle monding [132] los en haastig stapte
De vijand langs den bontgeverfden bodem
En ging al grijnzend voort. Gelijk aan vlammen
Schoot onheilspellend uit zijn oog een schemer.
Daar zag hij menig man in slaap gezonken,
745 Te zamen in de zaal de zwaardgenooten,
Den heldenhoop. Toen lachte daar zijn harte.
Hij dacht te scheiden, eer het daglicht daagde,
De dolle dooder, ieders lijf van 't leven,
Nu hem de hoop verscheen op rijklijk schrokken.
750 Nochtans gehengde hem het lot niet langer,
Bij nacht nog meer van 't menschenkroost te kapen [133].
Nu zag hij machtig leed de maag van Hyglac,
Op welke wijze deze wanbedrijver
Voortwoeden wou bij de onverwachte grepen.
755 Niet dat het monster dacht te dralen. Eensklaps
Ontrukt hij de eerste reis een slapend ridder,
Verscheurt hem schielijk, breekt de beengeleding,
Slurpt beken bloed en halst met rustloos rijten. [134]
Zoo had hij zonder dralen doorgezwolgen
760 Den levenlooze heel met hand en voeten [135].
Hij rukte naderbij en greep op 't rustbed
Met handen naar den hooggestemden strijdheld [136].
De vijand voer hem tegen met de vuisten,
Ontving hem snel, den valschgezinde, en stutte [137]
765 Zich op den arm. De moordbeschutter merkte
Fluks, dat hij nooit ontmoette op 't ondermaansche,
Op 's aardrijks schoot, bij eenig ander sterveling
Een vaster vuistgreep. 't Werd hem bang in 't binnenst,
In 't hart. Niet kon hij des te sneller henen.
770 Zijn inzicht was ter vlucht, hij wilde wijken
Naar zijne krocht, der duivels drijven [138] zoeken.
Niet boden zich alhier de bezigheden,
Gelijk hij eer in 't leven had getroffen. [139] [140]
De wakkre neef van Hygelac geheugde
775 Zich toen de toespraak van den eigen avond.
Hij rees dan recht in zijne gansche grootte,
Omving hem vast. De vingers borsten open.
Naar buiten wou de reus; hij rukte verder;
Hij dacht, de moordberuchte, mocht het lukken,
780 Zich weg te maken, wijder voort te vlieden
Naar 't moordhol; maar hij wist: in 's vijands vuisten
Bevond zich heel 't beheer van zijne vingers. [141]
Die tocht was heilloos, toen hij toog naar Heorot
De weebewerker. Heel de halle dreunde.
785 Den Denen al gewerd, den burgbewoners [142],
Der koenen elk, der kampers, doodsontzetting [143].
Zij waren wild de beide reuzenwachters.
De woning schudde. 't Was een groote wonder,
Dat wederstond de bouw den strijdverwoeden,
790 En niet ter neder zonk de zalige aardwoon.
Doch stevig stond zij, kunstig vastgeklonken
Met banden staal van binnen en van buiten.
Wel menig meebank [144], (volgens mijn ervaren)
Met goud omgeven, stortte van haar steunsel,
795 Alwaar de woesten streden. Hierop hadden
De raden eer der Schyldings niet gerekend,
Dat ooit der mannen een door krachtvermogen
De weidsche, met gewei getooide woning
Verwrikken zou, ofwel met list ontwrichten;
800 Tenzij haar zwolg de omvademing der vlammen [145]
In rook. Nu rees een nooit vernomen noodkreet,
En gruwbre ontzetting greep te gaâr de Denen,
Die van den wal het hulpgejammer hoorden,
Het angstlied stemmen door Gods tegenstander,
805 Den zegeloozen zang, het wee beweenen
Door deze helleprooi. Hem hield te stevig
Hij, die der mannen machtigst was ter wereld.