XI.

Nu stapte met den stoet van helden Hrodgar,

675 De schuts der Schyldings, uit den bouw naar buiten.

De strijdbestuurder wilde Wealchtheow zoeken,

De ga, tot nachtgenoot. De Heer der heerschers,

Gelijk de lieden hoorden, had aan Grendel

Gesteld een stedehoeder: Hij vervulde

680 Zijn dienst in dezen om den Denenkoning

En hij beriep den reus een wachter [125] [126]. Waarlijk

Hij bouwde vast, de voerder van de Gooten,

Op koene kracht en op de gunst der Godheid.

Hij deed alsdan zich af het stalen strijdhemd,

685 Den helm van 't hoofd; hij gaf den gulden degen,

Der klingen keur, een zijner dienstgezellen

En zei hem, op het wapentuig te waken.

De dappre hield alsdan een trotsche toespraak,

Der Gooten Beowulf, eer hij zeeg te bedde:

690 [127]«Ik reken mij in oorlogsmacht geen minder

Voor 't wapenwerk dan Grendel waant te wezen.

Ik wil hem dus niet dooden met het wapen,

Hoe licht ik zulks vermag, van 't leven scheiden.

Hij kent de kampgewoonte niet van weder

695 Te schenken eenen slag, het schild te beuken [128],

Al is hij wijdberucht door wapenfeiten.

Wij zullen dezen nacht aan 't zwaard verzaken,

Bestaat hij, zonder staal den kamp te kiezen.

De wijze Godheid zal daarop de zege

700 Verbinden aan de hand van een van beiden,

De heilge Heer, alnaar hij 't nuttigst oordeelt.»

De kampvermeetle neigde zich dan neder,

De peul ontving het voorhoofd van den ridder.

Wel menig moedig zeeheld liet op 't leger

705 Zich naast hem neder. Niemand hunner hoopte,

Van hier nog 't dierbaar heim en 't volk te groeten

Of 't burgslot, waar zij waren opgewassen.

Zij wisten toch, dat vroeger in de wijnzaal

Een nare doodstrijd al te veel genooten

710 Der Denen had gehaald. Nu schonk de Schepper

Het weefsel van het wapenheil [129] den Weders

En stut en steun; zoodat zij door de spierkracht

Des eenen op den vijand zegevierden,

Door zijne zelfde kracht. 't Is waar verkondigd [130],

715 Dat steeds een machtig God bestuurt het menschdom.

Nu schreed de nachtgeest nader door het duister.

De schutters, die de hoornzaal moesten hoeden,

Zij sliepen allen, uitgenomen eenen;

(Den menschen werd bekend dat hen de wurger

720 Niet zenden zou ten schimmen, daar de Schepper

Het geenszins wilde) want tot grim des gruwbren

Verbeidde Beowulf, in de ziel verbolgen,

Terwijl hij wakker was, het pleit der worsteling {16}.

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 97 / 137 题