X.

570 Aldus bedrongen deze leedbelagers

Mij dikwijls driftig. Met den goeden degen

Onthaalde ik hen nochtans, gelijk 't betaamde.

Zij vonden bij den buit geen vreugd de wreeden,

Dat zij mij zouden grijpen, 't maal omzitten

575 Nabij den zeegrond; maar zij lagen boven

Nabij het meeraanspoelsel met den morgen,

Van 't staal doorstoken, ingewiegd door 't wapen,

Dat zij den tocht voortaan geen zeelui zouden

Beletten langs de barning van de baren.

580 Van 't oosten zeeg het licht, de zegestanderd,

De glanzende van God. De stormen stilden,

Zoodat ik de oeverkapen kon beschouwen,

Het windbestreken strand. Vaak strekt het noodlot

Tot redding van d'onvoorbestemden stervling,

585 Indien zijn sterkte deugt. Ik trof het trouwens

Te dooden met den degen negen nikkers.

Nooit hoorde ik onder 't wulfsel van den hemel

Van neteliger strijd bij nacht, noch armer

Vergeten man te midden van den meervloed.

590 Toch borg ik 't leven uit den greep der boozen,

Ontzenuwd door den tocht. De zeevloed tilde

Mij met de strooming mee naar 't land der Finnen [111],

Het wellend water. 'k Hoorde nooit verhalen

Van uwen kant van zulke kampbestoking

595 En zwaardontzetting; nimmer bracht ook Brecca

Bij 't strijdvermaak tot stand, noch uwer iemand

Zoo stout een stuk met bloedbespatte speren;

(Niet bral ik dies [112]) ofschoon gij voor uw broeders

De dooder wierdt en uwe hoofdverwanten [113] {15}.

600 Gij zult om deze zaak verdoemnis dulden

Ter helle, hoe gevat uw brein ook blijke.

O Ecglafs zoon, dit zeg ik u in waarheid:

Meer gruwlen had de snoode daemon Grendel,

Meer hoon uw heerscher [114] niet verwekt in Heorot,

605 Indien uw denkkracht was geweest, uw inborst,

Zoo oorlogszuchtig als gij uitbazuindet.

Maar Grendel heeft verstaan, dat hij de strijdzucht,

Den onbesuisden lansstorm uwer lieden

Niet zeer te duchten heeft, der Zege-Schyldings [115].

610 Hij neemt zijn noodpand [116] mede, niemand spaart hij

Der Denenliên en woedt naar hartelusten;

Hij doodt en zwelgt en ducht geen wraak der Denen.

Maar spoedig gaat hem Gootenkracht en koenheid

In 't strijden staan. Dan keere wie het kunne

615 Weer moedig tot de meê, als 't morgengloren [117]

Des nieuwen dags op 't menschdom nederblikkert,

De glansomgorde zon van uit het zuiden!»

Nu was der schatten schenker vol van vreugde

Hij, grijsgelokt en kampvermaard. De koning

620 Der Helden-Denen had het hoogst vertrouwen

In hunne hulp. Hij hoorde toch aan Beowulf

De volkenherder 't vastbesloten streven.

Nu schaterde de schaar, de tonen schalden,

De woorden waren lief. Dan Wealchtheow naakte

625 Zij Hrodgars gade, 't hofgebruik indachtig.

Zij groette, goudgekleed, de hallegasten;

Dan reikte zij het eerst der Denen rijksheer

De hooggeboren vrouwe toe den beker.

Zij bad hem blij te wezen bij den bierdronk,

630 En voor de lieden lief. Met lust aanvaardde

De zegerijke vorst en maal en zaalkroes [118].

Nu ging in 't rond de koningin der Helmings [119],

Gaf ieder, hoog en nedrig [120], keurkleinooden,

Totdat de beurt zich bood [121], dat zij den beker

635 De ringomstraalde vrouw, de hooggestemde,

Aan Beowulf gaf. Den vorst der Gooten groette

Zij dan en dankte God met wijze woorden,

Dat nu haar wensch bewaarheid was geworden:

Der rampen redding van een held te hopen.

640 Den beker kreeg de kampvermeetle krijger

Van Wealchtheow, rijmde dan, gereed ten strijde,

En sprak de woorden, hij de spruit van Ecgtheow:

«Dit was mijn streven, toen ik steeg te water,

De kiel beklom met mijnen drom van dappren.

645 Dat ik den wensch uws volks ineens vervulde,

Of stortte in 't stof, omklemd door 's vijands klauwen.

Dus zal ik deze ridderdaad verrichten,

Of in de hal mijn laatsten dag beleven.»

Der edelvrouw gevielen wel die woorden,

650 Die taal, zoo tartend, van den vorst der Gooten.

De goudgehulde, hooge volksvorstinne

Ging naast haar echtgenoot [122] zich nedervlijen.

Nu werd alweder in de hal geheven

Zoo menig moedig woord. 't Gevolg was vroolijk.

655 Het was geschetter van de zegescharen,

Totdat opeens de hooge zoon van Healfdeen

Voornemens was, de nachtrust op te zoeken.

Hij wist, dat strijd bestoken was aan 't monster

Ter hooge zaal, nadat zij 't licht der zonne

660 Niet meer bemerken konden, nu het nachtfloers

En schaduwschepsels kwamen aangeschreden,

De duistere, vanonder 't wolkendeksel.

Nu rees de riddergroep. Met spreuken groette

Een held den andren, Hrodgar Beowulf, wenschte

665 Hem zege toe, 't bezit der zaal [123], en uitte

De woorden: «Sinds ik hand en schild kan heffen,

Vertrouwde ik vroeger toe der Denen troonzaal

Aan geen der helden, buiten u voor heden.

Aanvaard en handhaaf 't heerlijkst aller huizen,

670 Gedenk uw roemdaân, spreid uw reuzenkrachten

Ten toon en waak nu tegen dezen woestaard.

Niet zal u mangel zijn aan 't wenschenswaarde,

Zoo gij bestaat de lofdaad met het leven [124].»

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 96 / 137 题