IX.

En Hunferd zeide toen, de zoon van Ecglaf,

Die aan de voeten [107] zat des Schyldingvorsten,

Het kampgeheim ontkeetnend [108]: (Beowulfs aankomst,

Des koenen golfvaart gaf hem grooten aanstoot,

510 Omdat hij geenszins aan een ander gunde

Der mannen, meerder roem op aard te rapen,

Beneên de wolken, dan hem was geworden).

«Zijt gij die Beowulf, die met Brecca aanbond

Den wedstrijd op de wijde zee, in 't zwemmen

515 Met dezen streven dorst, toen boud gij beiden

Navorschtet in den vloed en gij uit grootspraak

Uw leven waagdet in het diepe water?

Geen stervling was in staat, noch vriend noch vijand,

De roekelooze reis u af te raden.

520 Toen braakt gij beiden roeiend door de baren

En dektet onder uwen arm de deining,

Gij maat de zeebaan, zwaaiend met de handen,

Doorgleedt de waterwieling, schoon met golven

De kil opklotste bij des winters branding.

525 Op deze wijze wurmdet gij te gader

Wel zeven nachten in 't bezit der zeeën.

Doch gene ging in vaart u ver te boven;

Hij had toch meerder macht. De strooming stuwde

Hem met den morgen heen ten Headoraemen [109],

530 Van waar hij wedervond, de volksgevierde,

Het lieve stambezit, het land der Brondings [110],

De schoone schatburg, waar hij wapenlieden

En goed en goud bezat. De zoon van Beanstan

Hield tegen u geheel zijn woord in waarheid.

535 Nochtans ik reken op geringer uitslag

Voor u, al waart gij steeds bij alle stormen

Bestand, bij grimmen strijd, zoo gij op Grendels

Nabijheid waagt een nachtgewricht te wachten.»

En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:

540 «Voorwaar, mijn waarde Hunferd, veel gewaagdet

Gij, dronken door het biergebras, van Brecca,

Vertellend zijnen tocht. 'k Beweer in waarheid:

Ik had meer zeegehardheid ik en arbeid

In 't midden van het meer dan een der menschen.

545 Wij kwamen 't overeen als knapen, ons verbindend,

(Toen waren wij nog beiden jong van jaren)

Dat wij in zee het leven zouden wagen

En deden desgelijks. Wij hielden 't lemmer,

Het bloote, vast, terwijl wij voorwaarts roeiden

550 Te zaam op zee, het harde, met de handen.

Zoo wilden wij ons vrijden van den walvisch.

In 't minste niet vermocht, ter zee gezwinder,

Hij door den vloed mij verre voor te bruisen,

Noch wilde ik zelve mij van hem verwijdren.

555 Zoo zwalkten wij te zamen op de zeeën

Vijf dagen lang, totdat de vloed ons scheidde,

De bolle golfgang bij het barste weder,

De nacht de omhullende; uit het noorden stormde

Kampwoedend aan de wind; de diepten woelden.

560 Nu was gewet de drift der zeegedrochten.

Toen schonk mijn lijf beschutting mij bescherming,

Het handgevlochten harnas, voor den vijand;

Het strijdkleed lag op 't lijf, het goudgestrengeld.

Mij rukte reeds een schemerschubbig ondier

565 Ten afgrond mee, mij klemde in zijne klauwen

De ongure vast. Toch werd het mij gegeven,

Dat ik het monster met het wapen wondde,

Het staal des strijds. Het kampgeraas ontrukte

Door mijnen arm het machtig meergevaarte.

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 95 / 137 题