En Hunferd zeide toen, de zoon van Ecglaf,
Die aan de voeten [107] zat des Schyldingvorsten,
Het kampgeheim ontkeetnend [108]: (Beowulfs aankomst,
Des koenen golfvaart gaf hem grooten aanstoot,
510 Omdat hij geenszins aan een ander gunde
Der mannen, meerder roem op aard te rapen,
Beneên de wolken, dan hem was geworden).
«Zijt gij die Beowulf, die met Brecca aanbond
Den wedstrijd op de wijde zee, in 't zwemmen
515 Met dezen streven dorst, toen boud gij beiden
Navorschtet in den vloed en gij uit grootspraak
Uw leven waagdet in het diepe water?
Geen stervling was in staat, noch vriend noch vijand,
De roekelooze reis u af te raden.
520 Toen braakt gij beiden roeiend door de baren
En dektet onder uwen arm de deining,
Gij maat de zeebaan, zwaaiend met de handen,
Doorgleedt de waterwieling, schoon met golven
De kil opklotste bij des winters branding.
525 Op deze wijze wurmdet gij te gader
Wel zeven nachten in 't bezit der zeeën.
Doch gene ging in vaart u ver te boven;
Hij had toch meerder macht. De strooming stuwde
Hem met den morgen heen ten Headoraemen [109],
530 Van waar hij wedervond, de volksgevierde,
Het lieve stambezit, het land der Brondings [110],
De schoone schatburg, waar hij wapenlieden
En goed en goud bezat. De zoon van Beanstan
Hield tegen u geheel zijn woord in waarheid.
535 Nochtans ik reken op geringer uitslag
Voor u, al waart gij steeds bij alle stormen
Bestand, bij grimmen strijd, zoo gij op Grendels
Nabijheid waagt een nachtgewricht te wachten.»
En Beowulf zeide toen, de zoon van Ecgtheow:
540 «Voorwaar, mijn waarde Hunferd, veel gewaagdet
Gij, dronken door het biergebras, van Brecca,
Vertellend zijnen tocht. 'k Beweer in waarheid:
Ik had meer zeegehardheid ik en arbeid
In 't midden van het meer dan een der menschen.
545 Wij kwamen 't overeen als knapen, ons verbindend,
(Toen waren wij nog beiden jong van jaren)
Dat wij in zee het leven zouden wagen
En deden desgelijks. Wij hielden 't lemmer,
Het bloote, vast, terwijl wij voorwaarts roeiden
550 Te zaam op zee, het harde, met de handen.
Zoo wilden wij ons vrijden van den walvisch.
In 't minste niet vermocht, ter zee gezwinder,
Hij door den vloed mij verre voor te bruisen,
Noch wilde ik zelve mij van hem verwijdren.
555 Zoo zwalkten wij te zamen op de zeeën
Vijf dagen lang, totdat de vloed ons scheidde,
De bolle golfgang bij het barste weder,
De nacht de omhullende; uit het noorden stormde
Kampwoedend aan de wind; de diepten woelden.
560 Nu was gewet de drift der zeegedrochten.
Toen schonk mijn lijf beschutting mij bescherming,
Het handgevlochten harnas, voor den vijand;
Het strijdkleed lag op 't lijf, het goudgestrengeld.
Mij rukte reeds een schemerschubbig ondier
565 Ten afgrond mee, mij klemde in zijne klauwen
De ongure vast. Toch werd het mij gegeven,
Dat ik het monster met het wapen wondde,
Het staal des strijds. Het kampgeraas ontrukte
Door mijnen arm het machtig meergevaarte.