460 En Hrodgar sprak, beschutter van de Schyldings
«Tot weergeworstel hebt gij, beste Beowulf,
Alzoo ons opgezocht, uit huldbetooning. {13}
Uw vader vocht weleer de koenste kampen.
Hij werd voor Headolaf bij dezes Wylfings [100]
465 Tot wurger met de vuist. Het kroost der Weders
Vermocht hem [101] wegens heirschrik niet te houden.
Van daar bezocht hij 't volk der Wester-Denen,
Der Zege-Schyldings over 't zeegeschommel.
'k Beval toen juist den Denenstam en jeugdig
470 Vertoefde ik op de goudgetooide schatburg
Der helden. Heorogar, de zoon van Healfdeen,
Was destijds reede dood, ontlast van 't leven,
Mijn oudste broeder. Deze was mijn betere!
De vijandschappen zoende ik [102] sinds met schatten
475 En zond den Wylfings langs den rug des waters
Aloud sieraad, en Ecgtheow zwoer mij eeden.
Het doet mij zeer in mijne ziel te zeggen
Aan wien het zij der menschen, wat mij Grendel
Al hoon berokkend heeft uit haatgedachten,
480 Arglistig leed in Heorot. Mijne halschaar,
Mijn slagtroep is geslonken. 't Noodlot sleepte
De helden heen naar Grendels schrikverschijning [103].
Alleen vermag gemakkelijk de Godheid
Den stouten dooder in zijn daân te stuiten.
485 Hoe dikwijls toch verbonden bij den bierkroes
Zich niet de krijgers, door het nat bedronken,
In deze drankzaal met de grijns der degens
Te willen wachten op den greep van Grendel.
Dan was dees medehal bij 't morgenkrieken,
490 De weidsche woning bloedig bont, als 't daagde,
Met bloed de gansche bankvloer [104] overgoten,
De hal met wapenvocht. Ik had der trouwen,
Der dierbre mannenschaar weer des te minder,
Die 't noodlot mij alweder had ontnomen.
495 Doch neig u neer aan 't maal, ontvouw uw meening,
Uw zegehoop 't gehoor, naar 't hart u aanzet.»
Toen werd der Gooten gasten al te gader [105]
Ras ingeruimd een rustbank in de bierzaal.
Op deze gingen dan de geestgestaalden
500 Zich nederzetten zij, de uitstekend stouten.
Het ambt verrichtte een ridder, welke de aalkan [106],
De schoongetooide, met de handen torste
En schonk het vonklend vocht. Dan zong de zanger
In Heorot helder. 't Was gejuich der helden,
505 Een groote weelde zoo van Deen als Weder {14}.