En Hrodgar sprak, beschermheer van de Schyldings:
«Hem kende ik als een' knaap. Zijn vader noemde
Zich destijds Ecgtheow [83], wien zijn eenge dochter
375 Op zijne goedren gaf der Gooten Hredel.
Nu is zijn spruit, de koene, hier gekomen
En zocht den trouwen vriend [84]. Toen zeiden zeeliên,
Die tot geschenk der Gooten schatten brachten [85]
Alhier {9}, dat hij de kracht van dertig krijgers,
380 De kampgevierde, voerde in zijnen vuistgreep.
o, Zeker zond hem, naar ik heb de hope,
De goede God op weg ten Wester-Denen [86],
Ons tot een toeverlaat bij Grendels gruwheid.
Ja, schatten wil ik schenken aan den goede
385 Voor zijnen koenen zin. Gij, rep u rugwaarts;
Verzoek hen in te gaan en al te gader
Het broederbond te schouwen van de schare.
Verzeker hun daarbij om 't zeerst, zij allen
Zij heeten welkom aan het heer der Denen.»
390 Toen spoedde Wulfgar henen naar de haldeur
En binnenwaarts ontbood hij met de woorden:
«Mijn zegevorst, Oost-Denen [87] heer, laat zeggen:
Hij kent uw adel. Langs de waterkolken,
o Hardgezinden, weest alhier hem welkom!
395 Nu moogt ge in 't maliekolder met den strijdhelm
Hrodgar aanschouwen gaan; doch laat het slagschild,
Der lansen hout, de doodelijke schachten,
Hier wachten op den uitslag van de woorden.»
De sterke [88] rees en rond hem menig ridder,
400 Der eedlen stoute stoet. Daar buiten bleven
Er enklen om het heergetuig [89] te hoeden,
Gelijk hun had besteld de wapenstoute [90].
Te gader gingen, waar hun wees de weerbre,
Zij onder Heorots dak; de dappre stapte
405 Gehelmd, de stoute, tot hij stond ter troonzaal.
En Beowulf zeide (hem omblaakte 't harnas,
Het kampnet, saamgetrensd door kunst van smeden):
«U zij, o Hrodgar, heil! Ik ben van Hyglac
De maag en ridder. Menig roemvol waagstuk
410 Bestond ik in mijn jeugd. Mij werd de strijdzaak
Van Grendel op mijn erfgrond klaar gekondigd.
Zeevaarders zeggen: ledig staat de zaalbouw,
Onnut het heerlijkst huis voor alle helden,
Zoo ras het schemerrood des avonds onder
415 De wijkplaats van den hemel wordt verholen.
Toen stelden mij dit voor mijn strijdgezellen [91],
De uitmuntendste, de meest ervaren mannen,
Dat 'k u bezoeken zou, o heerscher Hrodgar.
Zij kenden toch de macht van mijne krachten;
420 Zij zagen zelven, hoe uit hinderlagen
Ik bontbebloed terugkwam van den vijand,
Alwaar ik vastgebonden had een vijftal,
Verdelgd het reuzenrot, bij nacht de nikkers [92]
Bemeesterd in het midden van de baren,
425 Benarden nood beleefd, het leed der Weders
Gewroken (want zij duldden vele weeën),
't Vijandig volk vergruisd. Ik zal met Grendel,
Den daemon, thans alleen 't geding beslechten,
Met dezen reus [93]. U, hoofd der Helden-Denen,
430 U breng ik, schuts der Schyldings, ééne bede:
Dat gij, o wijk der wapenliên, niet weigert,
O Vriend des volks, nu 'k herwaarts toog van verre,
Dat ik alleen en dit mijn krijgsgeleide,
Dit moedig hoopje, Heorot moge zuivren.
435 Ook heb ik nog gehoord, dat deze doembre
In zijnen waan zich niet bekreunt om wapens [94]. {10}
'k Versmaad nu dit, zoo waar mij gunstig weze
In 't harte Hygelac, mijn leenheer, 't lemmer
Of 't reuzige rondas, het goudgerande,
440 Te voeren bij 't gevecht. Doch 'k zal hem vatten,
Den vijand, met de vuist, om 't leven vechten,
Man tegen man. En wien de dood dan wegrukt,
Die zal verstaan des Albestuurders oordeel [95],
'k Geloof, hij is verlangend, mag het lukken,
445 De Gootenhelden in de worstelhalle
Te vreten onbevreesd, als menig malen
Hij met de macht gedaan heeft van de Denen.
Gij hoeft met geene wacht mijn lijk te hoeden [96]:
Want zoo mij zoekt de dood, hij zal me hebben
450 Nog bont van 't bloed. {11} Het lillend overblijfsel
Ontvoert hij ver, hij neemt zich voor te schrokken,
De eenzame zwerver eet het blij van zinnen
En merkt met moord de vluchtplaats in de venen.
Gij hoeft geenszins te zorgen voor mijn lijktooi [97]; {12}
455 Maar zend dan, zoo het strijdgewoel mij wegsleurt,
Naar Hygelac het puike pantser henen,
Dat mijne borst beschut, het schoonste krijgskleed;
Het is een erfstuk Hredels, 't werk van Weland [98].
Gelijk het moet, zoo nadert steeds het noodlot [99].»