De baan was bont bevloerd; de straatweg voerde
De strijders al te zaam. Hun kamphemd straalde,
Het harde, handgevlochten. 't Staal, het heldre,
Het ringversierde, zong op hunne rusting,
325 Juist als ze in 't schrikgewaad ten zaalbouw schreden.
De zeevermoeiden zetten 't schild het machtig,
Het strijdrondas geweldig sterk, nu tegen
Den buitenwand des bouws en bogen bankwaarts.
De rusting rinkelde, der helden harnas.
330 De lansen stonden saam, der zeeliên strijdtuig,
Hun esscheschacht, blauwschemerig van boven [79].
Hoe wel was de ijzerdrom gedost in 't wapen!
De krijgstrawanten vroeg een wakker kamper [80]
Naar de edele afkomst: «Waar van daan toch draagt ge
335 De schitterende schilden, 't stalen strijdhemd,
De maskerhelmen met de macht van speren?
Ik ben de bode Hrodgars, dezes dienstman;
Niet heb ik ooit gezien een zulke menigt [81]
Van buitenlandsche meer vermeetle mannen.
340 Ik gis, dat gij, wel verre van voortvluchtig,
Hrodgar bezoekt uit hoogen zin en stoutheid.»
De krachtgevierde vorst, de nooit vervaarde,
Der Weders wedervoer daarop met woorden:
«Wij zijn van Hygelac de dischgezellen
345 En Beowulf luidt mijn naam. 'k Verlang mijn boodschap
Te konden Healfdeens zoon, den hoogen heerscher
En uwen vorst, indien hij wil gedoogen,
Dat wij hem, zoo goedzinnig, mogen groeten.»
En Wulfgar sprak (hij was Wandalenkoning;
350 Aan velen was zijn roekeloosheid ruchtbaar,
Zijn strijdgevatheid met zijn ondervinding):
«Den Denenvriend, den Schyldingvorst zal 'k vragen,
Den gever van het goud, den hoogen heerscher,
Gelijk uw bede luidt, omtrent uw tochten
355 En onverwijld u 't antwoord laten weten,
Dat mij de goedertieren denkt te geven.»
Dan trad hij ijlings toe, waar Hrodgar troonde,
Bedaagd en grijs, met zijnen drom van dappren;
De sterke schreed, totdat hij bij de schouders [82]
360 Des Denenkonings zich bevond. Hij kende
De handelwijs van 't hof. Dan zeide Wulfgar
Tot zijnen vriend en heerscher: «Herwaarts voeren
Er verbereisde gasten van de Gooten,
Langsheen der baren omvang. Beowulf heeten
365 Den eersten onder allen de oorlogshelden.
Hun bede brengt, o mijn gebieder, mede,
Met u den woordenschat te mogen wisselen,
o, Weiger 't wederwoord hun niet, genadige!
Zij schijnen waardig in de stormgewaden
370 Der helden achting. Zeker deugt de hoofdman,
Die herwaarts heeft gevoerd de heirgenooten.»