II.

Ter burcht verwijlde nu der Schyldings Beowulf,

55 De lieve landsheer, lang, den volken roemrijk; {2}

(De vader week van daar, de vorst van 't erfgoed [39])

Totdat hem werd verwekt de hooge Healfdeen.

Die heerschte op heusche wijs, zoolang hij leefde,

Bedaagd en oorlogsduchtig, bij de Schyldings.

60 Hem kwam in rechte rij een viertal kinders

Ter wereld: Heorogar, de hordenheerscher,

Hrodgar en strijdbre Halga. 'k Heb vernomen,

Dat Elan werd van Ongentheow [40] de weerhelft,

De bedgenoote van den Wapen-Schilfing [41].

65 Geluk der wapens werd verleend aan Hrodgar,

De kroon des kamps, zoodat zijn dierbre magen [42]

Wilvaardig volgden, tot de kampjeugd toenam,

De breede jonglingschaar. Hem schoot te binnen,

Dat hij een hal bevelen moest te maken

70 Aan zijne mannen, eene medewoning,

Een machtiger dan menschenzonen zagen;

Om alles daar aan jong en oud te deelen,

Als God hem had gegeven, uitgezonderd

De legerschaar en 't leven zijner lieden [43].

75 'k Vernam, hoe werk werd opgelegd in 't wijde

Aan menig man langs de aard, de steê te sieren.

Het viel in tijds hem mede, bij de menschen,

Dat kant en klaar verrees der hallen hoogste.

Den naam van Heort bestemde haar de heerscher,

80 Wiens woorden kracht van wet in 't wijd bezaten.

Hij deed zijn woord gestand en deelde ringen

En goed aan 't gastmaal. Stout verhief, met hoornen

Voorzien [44] zich ruim de zaal--Haar was te wachten

't Vijandig vuurgewoel, de leede laaie.

85 Niet was de tijd reeds daar, dat wapenwoede

Door bloedhaat blaken zou bij zoon en vader [45].--

Nu moest den heelen tijd in arren moede

De weerbre geest, die woonde in duisternissen,

Het dulden, dagelijks het luid gejubel

90 Te hooren in de hal. Daar klonk de harptoon,

De zoete zang des dichters. Deze zeide,

Die 't eerst ontstaan des menschen wist te melden

Van hooger af, verhaalde, dat de Almachte

Deze aarde had gevormd met hare velden,

95 Glansstaltig, waaromheen zich windt het water;

Dat Hij den glans van zon en maan zeeghaftig

Tot licht gesteld had voor de landbewoners,

Getooid met twijg en blad der velden boezem.

Het leven schiep Hij insgelijks voor ieder

100 Der wezens, die bezield zich voortbewegen.

Zoo leefden in genot de kampgenooten

En overvloed, tot één begon, de vijand,

Verderf te stichten in de stede [46]. Grendel

Zoo was de gast, de grimme geest geheeten.

105 Grenslooper lang berucht, die in moerassen

En venen was genesteld, zijne vrijburg.

't Wanzalig wezen had een lange wijle

Het schuilvertrek van 't reuzenras betrokken,

Nadat de Wereldheer hem had verwezen.

110 Der eeuwen Heer verhaalde op Kaïns afkomst,

Omdat hij Abel had verdaan, den doodslag.

Hij mocht zich in de misdaad niet verheugen,

Maar in de verte joeg hem voort de Schepper,

Om dezen moord, gebannen uit het menschdom.

115 Hier werden uit verwekt de wangedrochten,

De reuzen, elven met de watermonsters,

Giganten ook, die tegen God zich kantten

Een langen tijd. Hij loonde hen diensvolgens [47] [48].

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 88 / 137 题