I.

Voorwaar, der Denen roem in voortijdsdagen,

Der volksbeheerschers hebben wij vernomen,

Hoe de eêlgeboornen heldendaân voldongen.

De Scheving [25] Schyld ontnam aan 's vijands scharen,

5 Aan vele stammen vaak de medezetels [26].

De held had veel gehard, nadat hij hulploos

Gevonden was geworden in den aanvang.

Des trof hij troost. Hij wies beneên de wolken,

Gedijde in waardigheên, totdat hem ieder

10 Der ommewoners langs de walvischwegen

Gehoorzaamheid verschuldigd was en schatting

Betalen moest. Dit was een machtig koning!

Hem werd daarna een erfgenaam geboren,

Jong in het koningshof, dien zond de Hemel

15 Het volk tot heul: Hij [27] zag 't vervolgingsonheil,

Dat zij, de koningsloozen, eerst beleefden

Een langen tijd. De Levensheer diensvolgens,

De glansbeschikker, schonk hem [28] wereldglorie. [29]

Bekend werd Beowulf [30]; verre sprong de konde

20 Van Schyldes spruit de Schedelanden [31] binnen.

Zoo moet een jeugdig man zich mild bewijzen

Door groote giften jegens vaders vrienden,

Opdat hem weer gewillig wapenmakkers

In d'ouderdom [32], als kamp ontstaat, omstuwen,

25 De heirschaar vormen: door gevierde daden

Zal zich een held bij elken stam verheffen.

Verscheiden ging nu Schyld, de veelbewogen,

Ter lotbestemde stond in 's Heeren hoede [33].

Hem brachten toen de trouwe wapenbroeders

30 Naar 't zeegezwalp, gelijk hij zelf verzocht had,

Terwijl 't bevel de vriend der Schyldings [34] voerde,

De lieve landbestuurder lang een tijdruim {1}.

Daar aan de reede stond de kronkelsteven,

Yshelder, reizensree, des heerschers vaartuig.

35 Zij legden toen den lieven koning neder,

Den schatbescheerder, op den schoot des vaartuigs,

Den wijdvermaarden bij den mast. Er waren

Juweelen veel, gebracht langs verre wegen,

En kostbaarheden opgehoopt. Ik hoorde

40 Wel nooit van zulk een kiel, voorzien zoo kostlijk

Met heertuig, krijgerkleên, met zwaard en harnas.

Veel schatten lagen op den schoot [35]. Zij zouden

Ver medezwalken in de macht der baren.

Zij monsterden niet minder gul met gaven

45 Hem uit en schatgeschenken dan het deden

Degenen, die hem in 't begin verzonden

Alleen op 't zeegewoel, een wichtje zijnde. [36]

Men stelde hem daarbij een gulden standaard [37]

Hoog boven 't hoofd en liet de baar hem beuren

50 En gaf hem aan de golf. Hun geest was weevol,

Bezorgd hun zin. Niet kunnen menschen zeggen,

Naar waarheid, niet de woonbeheerders, helden

Beneên de wolken [38], wie ontving de lading.

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 87 / 137 题