Hij [49] ging bezien, sinds nederzeeg de nachtstond,
120 De hooge huizing, hoe de Harnas-Denen
Zich na de bierontvangst gevestigd hadden.
Daar binnen trof hij toen den troep der eedlen
In slaap na 't feestgeslemp. Geen kommer kenden,
Geen leed de lieden. Vreeselijk, vraatzuchtig
125 Was ras gereed de daemon der verderfnis,
Verwoed en wild, en roofde van het rustbed
Der dappren dertigtal [50]. Dan weder wendde
Hij roemend op den roof van hier zich huiswaarts
En kwam met kampbuit [51] weer in zijne woning.
130 Toen bleek des ochtends bij het morgenblozen
De worstelmacht van Grendel aan de mannen.
Toen steeg na 't feestgelag 't gesteen naarboven,
Het machtig morgenwee. De hooge heerscher,
De eervolle vorst, was lusteloos gezeten,
135 Beleefde leed, de zorg om zijne strijders,
Nadat men 't spoor bespeurd had van den vijand.
Den doembren geest. De droefheid was te drukkend,
Geweldig, onverpoosd. Niet was er uitstel,
Hij stichtte na dien eenen nacht alweder
140 moorden meer en schuwde leed noch lagen,
Hij was maar al te zeer gezet op deze.
Nu waren vele lieden licht te vinden,
Die ergens elders ruimer rustbed zochten,
Een bed in 't burgvertrek. Nu was bewezen
145 En wis en waar beduid door bare blijken
De haat van 't halgedrocht, nu hield een ieder,
Die 't monster was ontvlucht, zich ver en veilig.
Zoo heerschte hij en woedde wederrechtig
Eén tegen allen, tot der huizen heerlijkst
150 Daar ledig stond. Dat duurde lang een tijdruim.
De Denenvriend verduurde een twaalftal winters [52]
De woede en ieder wee, de zwaarste zorgen.
Sinds werd het klaar bekend den menschenkindren
Op leede wijs door 't lied, dat Grendel Hrodgar
155 Aantastte langen tijd. Hij had berokkend
Haatvijandschap, vervolgingslisten, veete
Wel menig halfjaar met gestage strijden.
Hij wenschte geenszins aan te gaan den vrede
Met een der dappren uit de bloem der Denen,
160 Te keeren 't levenszeer, met geld te zoenen [53] {3},
En geen der raden dorst glansrijker boete [54]
Verhopen met de handen van den dooder {4}.
De booze daemon kwelde, bond en doodde,
De duistre doodsgeest, meerderen en mindren. [55]
165 Eeuwnachten had hij in de nevelmoeren
Zijn woon gevest. Dit weten niet de menschen,
Waarheen in 't rond de toovenaars zich richten.
Zoo menig ramp berokte vaak de vijand
Des menschen, harden hoon, de eenzame zwerver.
170 Hij huisde in Heort, de goudverlichte halle,
Bij naren nacht. (Toch zou hij niet bezetten
Het schenkgestoelt, uit hoofde van den Schepper, [56]
Het pronkjuweel, noch waren dit zijn wenschen. [57] {5}
Dat was den vriend der Schyldings wreede kommer,
175 Een knak der ziel. Ten raadslag zaten dikwerf
Gevolg en vorst. Zij wikten dan en wogen,
Wat voor de boudgestemden 't beste ware
Te wagen tegen onverwachte inbreuk.
Somtijds beloofden zij den godentempels [58]
180 Een afgodsofferand en riepen dringend
Den wurggeest [59] aan, dat deze weer zou bieden
In 't volksgevaar. Dat waren zoo hun zeden,
Hun heidendenkwijs. Naar de helle streefden
Zij in 't gemoed. Zij kenden niet den Meester,
185 Der daden doemer, geenen God, den heerscher;
Zij konden niet des hemels heul bekennen,
Den God der glorie. Wee, die zal verzinken
De ziel door wilde zucht in 's vuurs omvatting,
Ontbeiden geenen troost, zich geenszins beteren!
190 Wel hem, die na den dood den Heer mag naken,
Een vrijburg vragen in des Vaders armen! [60]