ten Brink's stelsel wijkt onder meer dan een punt van het vorige af.
Het allitereerend vers bestaat uit vijf verschillende versmaten,
waaraan nochtans een zelfde rhythmisch schema ten grondslag ligt.
Dit grondschema is voor het halfvers:
× ×´ × ×` | × ×´ × ×`
Het halfvers bestaat dus uit vier tweeledige voeten en vier heffingen:
twee hoofd- en twee bijheffingen; de rest zijn dalingen.
Elk lid van den tweeledigen voet vormt een tijddeel of more (×). Het
halfvers bestaat dus uit acht moren. Uit dit oorspronkelijk schema, dat
wij met ten Brink a zullen heeten, zijn vier andere rhythmen ontstaan,
naar de verschillende wijzen, waarop de heffingen elkander volgen.
b De volgorde van hoofd- en bijheffing wordt in den 1sten en 2den
voet omgezet:
× ×` × ×´ | × ×´ × ×`
c In den 3den en 4den voet:
× ×´ × ×` | × ×` × ×´
d In 1,2 en 3,4:
× ×` × ×´ | × ×` × ×´
e 3 en 4 worden tusschen 1 en 2 ingeschoven.
× ×´ × ×´ | × ×` × ×`
Alvorens dit nader toe te lichten, dienen wij eerst een woord te
zeggen over de quantiteit en de betoning.
Quantiteitsregel: Eene more (×) kan ingevuld of gedekt worden zoowel
door de korte als lange lettergreep (×).
Twee moren kunnen alleen gedekt worden door eene lange lettergreep,
welke alsdan door het teeken (-) wordt voorgesteld.
Onder de lange lettergrepen zijn ook die te rekenen, welke door twee
medeklinkers gesloten worden.
De betoning grijpt veel verder om zich dan bij Sievers. Kunnen
betoond worden en bijgevolg aan heffing onderhevig zijn: 1º alle
eenlettergrepige woorden, uitgenomen ne; 2º bij de veellettergrepige
alle syllaben; uitgenomen die op korte betoonde lettergrepen volgen
en de toonlooze eenlettergrepige voorvoegsels.
De twee hoofdheffingen vallen bijgevolg met de lettergrepen te zamen,
die den klemtoon hebben.
De twee bij heffingen vallen aan minder betoonde lettergrepen te beurt,
b. v. kerkdeùr, windmòlen; en in het algemeen aan die lettergrepen,
welke door eene nog zwakker betoonde worden voorafgegaan of gevolgd,
waardoor zij in kracht winnen.
Op het einde van het halfvers heeft geregeld heffing plaats, indien
de lettergreep er voor vatbaar is.
Eene betoonde lettergreep tusschen twee sterker betoonde wordt ofwel
daling, ofwel heffing, naar de eischen van het vers.
Keeren wij nu terug tot de versmaat.
Het halfvers zou geheel en al volledig wezen, zoo elk der acht moren
door eene lettergreep vertegenwoordigd of gedekt was; doch dit heeft
uiterst zelden plaats, en dan nog alleen bij den grondvorm a b. v.:
gewâ´t him thâ` to wárodhè = × ×´ × ×` × ×´ × ×`
Gewoonlijk ontbreken er een of meer dalingen.
Deze onderdrukking der daling is aan twee oorzaken toe te schrijven:
a) ofwel de daling wordt door eene pooze (^) vervangen;
b) ofwel de daling wordt opgeslorpt door de lange lettergreep (-)
welke, zooals gezegd is, voor twee moren kan gelden.
Eenige voorbeelden zullen dit duidelijk maken.
a. Met pooze in 't begin:
wî´ge ùnder wáeterè = ^ ×´ × ×` × ×´ × ×`.
Pooze en opslorping der daling door de lange lettergreep:
mýnelìcne mâ´ddum = ^ ×´ × ×` × -´ ×`.
(-´ ×` staat voor ×´ × ×`, zoodat mâddum als má-ad-dum moet gescandeerd
worden.)
b. Met pooze en opslorping der daling door de eerste lettergreep
van straete:
òfer lágustráetè = ^ ×´ × ×´ × -´ ×`.
c. Met pooze en opslorping der daling door de derde lettergreep
van aedelinga:
aédelìngà gedrýht = ^ ×´ × -` ×` × ×´.
d. òfer géofenès begóng = ^ ×` × ×´ × ×` × ×´.
e. Met pooze en opslorping der daling door de eerste lettergreep
van ydha:
átol y´dhà gethrìng = ^ ×´ × -´ ×` × ×`.
Al de hier opgesomde verzen zijn volledig, omdat er de vier heffingen
zijn; ontbreekt één der bijheffingen, dan is het vers onvolledig.
In dit geval kan de ontbrekende bijheffing op twee wijzen vervangen
worden:
1º door de pooze, b. v.
a. geslô´h thî`n faéder = × -´ -` ×´× ^`.
2º Ofwel, en dit heeft slechts in één geval plaats, worden twee
heffingen, nl. hoofd- en bijheffing, door ééne lettergreep gedekt,
zoodat deze lettergreep zich over drie moren uitstrekt:
a. hâ´`m gesô´htè = ^ -´` × -´ ×`.
Men zou dus bij het lezen há-a-àm moeten scandeeren.
Ziedaar in het kort de hoofdlijnen van de tweeheffings- en
vierheffingstheorie.
Het ligt niet op onzen weg te beslissen, welke de beste is; dit laten
wij aan meer bevoegden over.
Nochtans al is het waar, dat Sievers' meening meer aanhangers telt,
toch zal men moeten toegeven, dat het stelsel van ten Brink heel
wat minder ingewikkeld, en dat de uitspraak van den laatste niet van
allen grond ontbloot is, als hij zegt:
«Sievers... gelangte zu einem System, nach welchem es ebenso unmöglich
sein dürfte, Verse zu lesen, wie es unmöglich gewesen sein muss,
Verse darnach zu bauen.»