EPISCHE STIJL.

Wie, in tegenstelling met Monsieur Jourdain, poëzie van proza weet

te onderscheiden, zal bij de inzage van het epos erkennen, dat er

bij de Angelsaksen eene epische taal bestond, welke zich uit de

omgangstaal tot eene hoogere volmaaktheid had ontwikkeld; want hij

zal, afgezien van de versmaat, geregeld terugkeerende woordfiguren,

vaste uitdrukkingen en bepaalde zinswendingen aantreffen.

Wat vooral de aandacht vestigt, is het ruim gebruik, dat gemaakt wordt

van het vermogen om samenstellingen te vormen, waarvan de meeste een

dichterlijk beeld voor den geest roepen.

Voor bijzonderheden verwijzen wij naar het opstel van Theodor Storch,

Angelsächsische Nominalcomposita. Strassburg, 1886.

Wij willen hier alleen wijzen op de bonte rij van samengestelde

bijvoeglijke naamwoorden met verzwegen voorzetsel: goldhladen

goudbeladen, goldhroden goudgekleed, daed-cêne daadkoen, blôd-fâg

bloedbont, heoro-blâc bleek door het zwaard, zwaard-gedood,

wlite-beorht met stralend aanschijn, beadu-rôf kampberoemd,

beadu-scearp slagscherp, scherp tot den slag; ellen-seóc krachtberoofd,

gold-wlanc goud-pronkend, headhogeong kampjong, sadol-beorht met

glanzend zadel, sae-mêde zeemoede, man-thwaere menschenvriendelijk,

enz. [23].

Een ander kenmerk van den epischen stijl is de verbazende rijkdom van

zinverwante woorden om sommige begrippen uit te drukken, vooral die,

welke op oorlog en zeevaart, de twee voornaamste bezigheden van het

volk, betrekking hebben.

Om b. v. krijgsbende, krijger, vorst, kamp, pantser, moedig, zee

en schip te zeggen, beschikt het epos over tal van eigenlijke en

oneigenlijke uitdrukkingen, waaruit niet alleen de woordvoorraad

van het Angelsaksisch, maar ook de vindingrijkheid des dichters te

voorschijn treedt. De oneigenlijke uitdrukkingen bekleeden vooral

eene breede plaats. Men heet ze Kenningar, eene benaming, welke aan

de Oudnoordsche letteren ontleend is.

De Kenning is eene minder gewone voorstelling van een begrip, waarvoor

een gebruikelijke term voorhanden is. Ziehier eenige voorbeelden:

De koning heet: goudgever, ringuitdeeler; het zwaard: kampvlam;

het harnas: krijgsnet; de helm: kamphoofd; de lans: krachthout; de

strijd: schildspel, zwaardstorm; het bloed: kampzweet, kampkegels

(beeld aan het ijs ontleend); het schip: golfganger, kronkelsteven;

het hert: heideganger; de harp: vreugdehout, enz.

Ook bij de werkwoorden komen Kenningar voor, b. v. gaan: het schild

dragen, de speer dragen, den weg meten; spreken: den woordenschat

ontsluiten; sterven: het menschengejubel opgeven, het gelach

neerleggen, enz.

Leven, sterven, spreken, mensch, koning, zwaard, harnas, helm, schild,

speer, kamp, schip en God: ziedaar de voornaamste begrippen, welke

door Kenningar worden uitgedrukt.

Al de Angelsaksische werken zijn rijk aan deze woordfiguur en niet

het minst de Beowulf die, volgens de door Bode opgemaakte verhouding,

9.9 Kenningar op 100 regels telt. Uit de lijsten, welke deze schrijver

heeft samengesteld, zullen wij twee voorbeelden kiezen nl. krijger en

zee, en tevens de ontbrekende vormen bijvoegen, ten einde den rijkdom

van de epische taal in den Beowulf te toonen.

Eigenlijke uitdrukkingen voor krijger:

Cempa, wîga, ôretta (kamper); oretmaecg, hilderinc (kampheld); hererinc

(legerheld); gûdhwîga (kampstrijder).

Wij voegen erbij:

häledh, beorn, rinc, wer, secg, gewinna (held, strijder); thegn,

magu-thegn (ridder); sige-beorn (zegeheid); magorinc (manheld);

hilde-mecg, beado-rinc, gûdhrinc, headho-rinc, gûdh-beorn (kampheld);

fyrd-gestealla (tochtgenoot); dryht-gesîd, dryht-guma (schaargenoot);

waepned-man (wapenman).

Kenningar of oneigenlijke uitdrukkingen:

Bode haalt aan: lindhäbbend, rondhäbbend, bordhäbbend (schildhebber);

searohäbbend (harnashebber); helmberend (helmdrager); scildfreca

(schildwolf); sweordfreca (zwaardwolf); wîgfreca, hildfreca (kampwolf);

hildehlemma (kampwilde); sceotend (schutter); -sceada (-beschadiger).

Hier behooren nog bij:

fêdha, fêde-cempa (voetkamper); byrn-wiga (harnas-kamper); freca

(wolf); gûdh-freca (strijdwolf); gâr-wiga, äsc-wiga (speerkamper);

lind-gestealla (schildgenoot); lind-wiga, rond-wiga, scild-wiga

(schildkamper).

Eigenlijke uitdrukkingen voor zee: mere, sae, sund, holm, heàdu, brim,

lagu, lagu-streàm, eàgor-streàm, êg-streàm, geofen, wäd, flôd, waeg.

Buitendien nog: brim-streàm, farodh, ford, streàm.

Kenningar voor zee.

Bode teekent aan: fîfelcynnes eard (gebied der zeegedrochten);

ganotes bädh (bad der duikereend); hronrâd (walvischweg); swanrâd

(zwaneweg); segelrâd (zeilstraat); ydha ful (der golven beker);

seoledha begang (der bochten d. i. stille wateren, bereik); flôdes

wylm (vloedbranding); sealt wäter (zout water); seo fealu flôd (de

vale vloed); se ginna grund (de spalkende grond); gârsecg.

Deze reeds lange reeks kan nog door de volgende uitdrukkingen

aangevuld worden: brim-wylm, flôd-ydh, holm-wylm, wäter-ydh,

saewylm (zeegegolf); sundgebland, ydhgebland (zeegemengel); brimlâd,

lagu-straet, mere-straet (zeeweg); geswing, wälm (branding); waeg-holm

(golvenzee); deóp wäter (diep water); wîd wäter (uitgestrekt water);

holma gethring (zeegewoel); mere-grund (zeegrond); wäteres hrycg

(waterrug); ydha gewealc (golfgewentel); ydhgewin (golfgeworstel).

De vorm, waaronder de Kenningar gewoonlijk voorkomen, is, als blijkt,

de samenstelling.

Bij sommige is het rijm onmiskenbaar b. v. hranrâd, swanrâd.

Welk is de natuur der Kenningar?

Zij beperken het begrip door eene bepaalde zijde van een persoon of

zaak, ééne eigenschap, één deel in het licht te stellen, hetzij door

middel van ontleding, hetzij van vergelijking.

Zoo wordt de krijger door een deel zijner bewapening voorgesteld

b. v. schilddrager; ziedaar de ontleding.

Wordt integendeel de aandacht getrokken op zijne strijdbaarheid,

dan roept die eigenschap de vergelijking te voorschijn met den wolf,

b. v. kampwolf.

De Kenningar, welke op deze laatste wijze zijn ontstaan, zijn niets

anders dan een leenspreuk of metaphora; deze woordfiguur speelt dus

eene groote rol in den Beowulf.

Waaraan is de veelvuldigheid van Kenningar toe te schrijven?

Eene voorname reden is, dat zij, vooral in het tweede halfvers,

als stopwoorden worden aangewend, om aan de eischen van het stafrijm

te voldoen.

Een sprekend bewijs hiervan levert ons de onechte plaats v. 184-87:

Zij kenden niet den meester,

Der daden doemer, geenen God, den heerscher;

Zij konden niet des hemels heul bekennen,

Den God der glorie.

De dichter, wiens taak het was, overgeleverde stof in overgeleverde

vormen te gieten, zooals Bode zich uitdrukt, vond hier eene gewenschte

gelegenheid om door het smeden van nieuwe woordverbindingen zijne

kunst te toonen.

Dat nochtans de zucht om met nieuwe Kenningar te schitteren zoover

gedreven werd, dat vele Oudgermaansche dichters tot hetzelfde besluit

zouden zijn gekomen als Ronsard, wanneer hij zegt: «Les excellents

poètes nomment peu souvent les choses par leur nom,» dat kan ik Bode

niet toegeven.

Men zou diensvolgens moeten aannemen, dat in die vroegste tijden

reeds jacht werd gemaakt op gezochte, gekunstelde woordkoppelingen,

dus ongeveer in den aard van de Précieuses, over welke Molière zich

vroolijk maakt.

Dit strijdt met het karakter van het volksepos, dat juist door zijne

waarheid, door zijne oprechtheid gunstig bij de latere persoonlijke

poëzie afsteekt, welke doorgaans iets meer of minder conventionneels

of overeengekomens vertoont. Wat zeggen buitendien de feiten?

Indien men in Bode's lijst de Kenningar uit den Beowulf vergelijkt

met die uit het volgende Angelsaksisch tijdperk, dan komt men tot

de ervaring, dat daar waar er sprake is van koningsschap, krijgs-

en zeewezen, slechts weinig nieuwe vormen, ten minste wat den zin

betreft, zijn bijgekomen.

De voornaamste nieuwe Kenningar zijn die, welke op duivel, hel

en vooral op God betrekking hebben; doch zij zijn het werk van

christelijke dichters en hebben niets gemeen met het volksepos.

Indien bijgevolg de latere kunstdichters, die er toch het naaste

aan toe waren, een beperkt gebruik maakten van de vrijheid om nieuwe

uitdrukkingen te scheppen, dan zal de onpersoonlijke Beowulf-dichter

zich nog minder vrijheid veroorloofd hebben.

Daar de meeste Kenningar tot de leenspreuk kunnen herleid worden, zal

de hoofdreden van hun gebruik wel in de jeugd van het volk te zoeken

zijn, wiens levendige verbeelding en pas ontwaakte kunst alleen het

gebruik van de leenspreuk of metaphoor mogelijk maakte.

Kinderen en weinig ontwikkelden bedienen zich bij voorkeur van deze

beeldspraak.

De Kenningar beantwoorden aan de behoefte om met meer kracht te

spreken.

De metaphoor of onuitgewerkte vergelijking is daarenboven de grondslag

van den overdrachtelijken stijl.

Van haar gaat onmiddellijk de verpersoonlijking uit, welke gegrondvest

is op de zwijgende vergelijking tusschen de onbezielde natuur en een

levend wezen.

Figuren van hoogere orde zijn de allegorie en de vergelijking.

De allegorie is eene aaneenschakeling van twee of meer leenspreuken

en veronderstelt bij den dichter eene letterkundige bedrevenheid,

welke onvereenigbaar is met eene nog jeugdige kunstuiting.

Dit is ook het geval met de vergelijking. Zij vergt van den dichter

veel kunstbewustzijn, de gave van ontleding en zelfbeheersching, want

hij verlaat zijn onderwerp, om in een verwijderd, ongelijksoortig

wezen eene overeenkomstige eigenschap uit te werken.

Onder logisch oogpunt gaat de vergelijking de leenspreuk vooraf,

maar in de werkelijkheid, in de tijdsorde heeft het omgekeerde plaats.

De eerste de beste zal zeggen: «zijne oogen schoten vuur,» bij het

zien van iemand, die woedend is, zonder aan eene woordfiguur en nog

minder aan eene verborgen vergelijking te denken; dit laatste is het

werk van het wijsgeerige verstand, dat daarna aan het ontleden gaat.

Het is derhalve niet te verwonderen, dat wij in den Beowulf methaphoren

(onder den vorm van Kenningar) en verpersoonlijkingen aantreffen,

daarentegen hoogst zelden eene allegorie en eene vergelijking. Dit

verschijnsel hangt samen met den toestand van de Angelsaksische

dichtkunst, welke zich nog in de wieg bevond en op verre na niet de

hoogte had bereikt van de Grieksche volkspoëzie.

Treden wij in eenige bijzonderheden.

De verpersoonlijking is een geliefkoosd beeld bij kinderen en

ongeletterden.

Heeft een kind zich bezeerd, dan moet het «ondeugend» mes gestraft

worden, wil men de waterlanders zien verdwijnen.

Voor den natuurmensch is het heelal bezield; vandaar de

verpersoonlijking der natuurkrachten, vandaar ook de diersage bij de

oude Germanen, voor wie er bijna geene grenslijn tusschen mensch en

dier bestond.

Het is dus natuurlijk, dat het zwaard in een heldengedicht als de

Beowulf zoo vaak als een bezield wezen wordt voorgesteld.

Het «verricht zijn ambt», evenals een tafelknecht; het «beslist een

pleit», het «zingt een kamplied op iemands schedel», het «bijt»

en «groet» den vijand, het «rukt den gedoode mede», het vermaakt

zich in het gevecht als bij een «spel», en de wonde, die het slaat,

is de «zwaarddronk».

Hetzelfde kan van de overige wapens gezegd worden: de werpspies

«vervolgt in hare vederuitrusting» den pijl, evenals een havik de

weerlooze vogels, en het schild, dat met de lans geslagen wordt,

«antwoordt aan de schacht».

Dit verklaart ook, dat sommige zwaarden van helden als personen gedacht

worden, die hunnen eigen naam voeren. Unferds zwaard heet Hrunting,

dat van Hun Lafing en van Beowulf Nageling [24].

De allegorie is schaars vertegenwoordigd en strekt zich bovendien

bijna nooit over meer dan twee termen uit.

Het schip is het zeeros (saegenga), dat aan het anker rijdt; het

woord is het staal, dat de borst doorbreekt; het ijs is de waterboei,

welke God losmaakt; de dood is de slaap van het lichaam, dat op het

rustbed sluimert.

Deze laatste plaats (Vert. 1020-22) is nochtans onzeker.

Het gedicht biedt slechts één voorbeeld aan van eene breed uitgesponnen

allegorie, welke de kunstenaarshand verraadt. (Vert. 1776-81).

De bekoring wordt er voorgesteld onder het beeld van eenen

sluipmoordenaar, die door middel van eenen pijl den slapende onverhoeds

wondt, niettegenstaande dezes wapenrusting; terwijl de wachter,

het geweten, is ingesluimerd.

Doch hier bevestigt de uitzondering den regel, want deze plaats is

buiten allen twijfel aan de inlassching van eenen kloosterling toe

te schrijven.

Dat somtijds onvereenigbare begrippen tot eene allegorie verbonden

worden, kan, de onvolkomenheid der dichtkunst in aanmerking genomen,

geenen aanstoot geven.

Ziehier eenige staaltjes:

seo beado-leóma bîtan nolde: de kampvlam wilde niet bijten. v. 1524.

hine sorh-wylmas lemede tô lange: de zorggolven hadden hem te lang

verlamd. v. 905.

him hilde-grâp heortan wylmas, bân-hûs gebräc: de kampgreep verbrak

hem des harten golvingen, het beenderhuis. v. 2508-9.

De vergelijkingen zijn dun gezaaid en worden daarenboven niet

volgehouden, maar zoo kort mogelijk als in de kiem aangeduid. Men

oordeele:

«Het schuimhalzige schip ging over de golfzee, gelijk aan eenen vogel».

«Ieder van de nagels was op staal gelijkend».

«Uit Grendels oogen ging een ongure schijn, gelijk aan eene vlam».

«Het zwaard bliksemde, evenals de hemelfakkel helder aan de transen

schijnt».

«Het zwaard versmolt geheel en al, gelijk het ijs, wanneer de Alvader

den band van de vorst losmaakt».

De schoonste vergelijking prijkt in het Finnsburglied:

«Het zwaardgebliksem rees, even alsof de heele Finnsburg in

lichterlaaie stond».

Welk verschil tusschen de zeldzame, stamelende vergelijkingen van den

Beowulf en de talrijke, breed aangelegde en meesterlijk afgewerkte

beelden van de kunstgezinde Grieken!

De meerderheid van deze laatsten blijkt ook uit de schilderende

bijvoeglijke woorden.

Niet dat het gedicht geene echt teekenachtige epitheten of

bijbenamingen heeft aan te wijzen, maar de groote massa mist

die aanschouwelijkheid en evenredigheid, welke wij bij Homeros

bewonderen. En met reden: het zelfstandig naamwoord blijft, zoodat

de vergezellende bijbenaming eene zekere maat moet houden, waartoe

zich de wilde verbeelding van het Noorden moeilijk kon plooien. De

Kenningar daarentegen laten volle vrijheid toe.

Vandaar dat de Beowulf in evenredigheid arm is aan epitheten, maar rijk

aan Kenningar, terwijl zich het tegenovergestelde bij Homeros voordoet.

Zelfs is het geval niet zeldzaam, dat een Kenning uit den Beowulf in

de Ilias aan eene bijbenaming beantwoordt, b. v. Pontoporos, het

zeedoorschrijdend schip, zegt hetzelfde als saegenga, ydhlida:

zeedoorschrijder, golvenganger.

Voor meer zulke overeenstemmingen raadplege men Bode, die er eenige

voor schip en wapen opsomt.

De vorm der schilderende bijbenamingen is de samenstelling; zij bieden

zich alweer hoofdzakelijk aan bij alles wat op oorlog en zeevaart

betrekking heeft, nochtans niet bij het begrip zee, dat door de

Kenningar ruimschoots uitgebeeld is.

Het zou ons te ver leiden, moesten wij al de epitheten opsommen; zij

komen in hoofdzaak in de volgende gevallen voor: Zij betitelen den

vorst op vereerende wijze, geven den moed te kennen van den krijgsman

(dit zijn de talrijkste), ofwel de uitputting van den gewonde, zij

schilderen het oorlogspaard en de wapens, vooral zwaard en harnas.

Kiezen wij de bijbenamingen van zwaard en schip.

Het zwaard is blôd fâg: bloedgepurperd, swât-fâg: zweetgepurperd,

fyr-heard: vuurgehard, graeg-mael: grauwgeteekend, hring-mael:

ringversierd, morgen-ceald: morgenkil (na nachtelijke tochten),

wreodhen-hilt: met gewonden gevest voorzien, wunden-mael:

met kronkelende teekens voorzien, wyrm-fâh: glanzend door

slangversieringen.

Eenige bijbenamingen van schip hoeven voor die van Homeros niet onder

te doen:

fâmig-heals: schuimhalzig, wunden-heals: kronkelhalzig, sîd-fädhme:

ruimboezemig, nîw-tyrwed: nieuw-geteerd, sae-geáp: zeeruim (ruim

genoeg om zee te bouwen).

De levenlooze natuur is zeer karig bedeeld; het veld is maar eens

betiteld met wlite-beorht: glansstaltig.

Wij hebben nog op twee soorten van staande uitdrukkingen te wijzen,

welke ook een kenteeken van de dichterlijke taal zijn:

Samenkoppelingen van twee woorden door middel van het voegwoord en,

om een verband of eene tegenstelling uit te drukken, in den aard van

onze tegenwoordige Nederlandsche stafrijmen. b. v. leóht and lîf:

licht en leven, wordum and weorcum: met woorden en werken, hand and

rand: hand en schild, leóf and lâdh: lief en leed, îdel and unnyt:

ijdel en onnut, frôd and gôd: vroed en goed, habban and healdan:

hebben en houden, singan and secgan: zingen en zeggen, innan and ûtan:

binnen en buiten.

Ten slotte merken wij nog het gebruik op van zekere wendingen om een

persoon sprekend in te leiden, wendingen die schijnen als van Homeros

afgekeken te zijn. Voorbeelden:

Unferdh madhelode Ecglâfes bearn:

Unferd sprak de zoon van Ecglaf.

Hrôdhgâr madhelode, helm Scyldinga:

Hrodgar sprak, de schuts der Schyldings.

Beówulf madhelode, bearn Ecgtheówes:

Beowulf sprak, de zoon van Ecgtheów.

Deze epische wendingen vinden hunne verklaring in het overwegend

belang, dat de jonge volken aan de bloedverwantschap hechten.

Gaan wij nu over tot een tweede bestanddeel van den epischen stijl,

nl. de woordschikking.

Wij zullen ons bepalen bij de meest in het oog springende kenmerken.

De zinbouw heeft in den Beowulf iets van het werk eens beginnelings,

iets dat als de tegenvoeter van de klassieke periode kan aanzien

worden.

De dichter legt, vooral in beschrijvingen, zijne voorliefde voor

de bijschikking aan den dag, terwijl het voegwoord niet zelden is

weggelaten:

Een van de vijftien zocht hij op het zeehout.

Een kampheld wees, een waterkundig krijger,

De landgrens langs. De wachttijd was verstreken.

De boot was vlot, het schip nabij 't gebergte.

De helden stegen uitgedost ten steven.

De strooming krulde zich, de zee op 't kustzand.

Zij droegen op den schoot des schips de schoonste

Juweelen neer, de weidsche kampgewaden;

(En) tot de lustvaart boomden (nu) de lieden,

De kampers, hun gebonden kiel naar buiten (211-20).

Er heerscht gebrek aan voegwoorden, vooral bij de overgangen, welke

gewoonlijk door thâ (dat buitendien voor verschillende betrekkingen

dienst moet doen) worden ingeleid en iets eentonigs aan het geheel

bijzetten.

Treden verschillende helden op, dan blijven wij dikwijls in het

onzekere omtrent den persoon, op welken b. v. het voornaamwoord

hij terugziet.

De ingelaschte zin of parenthese verschijnt meer dan lief is en draagt

voorzeker niet bij tot den ongestoorden gang van het verhaal.

Ontkennende uitdrukkingen verschijnen er bij de vleet, ook zulke,

welke tot doel hebben om met meer kracht te bevestigen (litotes).

«Bij lang niet laakten wijze liên die reize». (206).

«Niet beter zal 't hem wezen». (2339)

«Niet dunkt me dit betaamlijk,

De schilden weer te brengen naar de woning». (2734)

«Minder hevig beet het (zwaard)

Dan hij behoefte had, de volksbeheerscher». (2656)

Het eigenaardigste kenmerk van de Angelsaksische woordschikking, dat

er de ziel, het wezen van uitmaakt, is het gebruik der parallelvormen

of bijstellingen.

De dichter duidt met één, soms met meer woorden denzelfden persoon,

dezelfde eigenschap, dezelfde handeling nog eens aan, en wel door

middel van eene zinverwante uitdrukking.

In de aangehaalde beschrijving van de aanstalten tot de zeereis vinden

wij de volgende parallelvormen:

Personen en zaken: kampheld, waterkundig krijger--boot,

schip--strooming, zee--juweelen, weidsche kampgewaden--lieden, kampers.

Hoedanigheden:

Haar was te wachten

't Vijandig vuurgewoel, de leede laaie (83).

Handelingen:

(Gij) die sturen kwaamt de kiel, de schuimomstoven,

Langsheen de waterwegen, die de helmen

Tot hiertoe hebt gebracht door 't waterbruisen (242-44).

Al is de herhaling van meer of minder gelijkbeteekenende woorden

slechts een eerste stap op het gebied der woordschikking, de dichter

weet die vormen zoo kunstig aan te wenden, dat zij geenen onwil

verwekken, maar--dank aan de Kenningar welke, door het stafrijm

gerugsteund, hier vooral optreden,--aan den stijl eene eigenaardige

kleur en bekoorlijkheid verleenen.

Na de taal en de woordschikking besproken te hebben, ligt het op

onzen weg eens na te gaan, hoe de dichter zich, in de bearbeiding

van de stof, van zijne taak heeft gekweten.

Hiertoe onderscheiden wij verhaal, redevoering en beschrijving, de

drie hoofdvormen, welke bij elk letterkundig werk, en vooral bij het

epos, in aanmerking komen. De verhaaltrant heeft iets onbeholpens,

hij is onsamenhangend en duister.

Verschillende gebreken, waarvan sommige op rekening van het ontstaan

uit afzonderlijke zangen zijn te stellen, brengen hiertoe het

hunne bij.

1º De herhalingen, niet alleen van korte plaatsen, maar ook van

betrekkelijk groote gedeelten.

In de nota's aan den voet der vertaling wordt hierop gewezen,

b. v. Beowulfs voornemen om van alle wapen af te zien; de strijd met

Grendel; het gevecht op den bodem van het meer.

Deze twee wapenfeiten worden, na in 't breede beschreven te zijn,

nog tweemaal opgedischt, eerst aan Hrodgar, daarna aan Hygelac.

2º De onderbrekingen van 't verhaal, hetzij door christelijke, vaak

onnoozele overwegingen; hetzij door herinneringen aan oorlogen en

oude sagen; hetzij door toespelingen op de te volgen ontknooping.

3º Gebrekkige overgangen, zoodat de dichter soms met de deur in het

huis valt, b. v. Grendels en Beowulfs optreden, de sage van Sigmund

en Heremod, en vooral die van Thrydo.

4º Tegenspraak.

Voor dit punt alsmede het volgende zie men de nota's, waar al de

gevallen vermeld worden.

5º Toespelingen op gebeurtenissen, die niet in het gedicht behandeld

worden.

6º De ontknooping is, in vergelijking met wat voorafgaat, gewoonlijk

te kort. Men zou zeggen, dat de dichter zich niet de moeite wil

getroosten van er langer bij te verwijlen.

Sceaf-episode:

Niet kunnen menschen zeggen,

Naar waarheid, niet de woonbeheerders, helden

Beneên de wolken, wie ontving de lading. (51-53)

Brecca-episode:

Zij lagen boven

Nabij het meeraanspoelsel met den morgen,

Van 't staal doorstoken, ingewiegd door 't wapen,

Dat zij den tocht voortaan geen zeelui zouden

Beletten langs de barning van de baren. (575-79)

Sigmund-episode:

Nochtans het lukte

Hem, dat de kling den wonderworm doorkloofde,

Dat steken bleef het heerlijk staal ten rotswand. (903-5)

Finn-episode:

Bloedig was de halle

Door Friezenlijken. Ook werd Finn, de heerscher,

Verslagen in het midden zijner manschap,

En heengevoerd de koninginne Hildburg. (1167-70)

Headobarden-episode:

Dan zal der ridders eed van beide zijden

Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in Ingeld,

En koeler wordt de liefde tot zijn weerhelft

Door 't zorggezwalp. (2118-21)

Heardred-episode:

In deze zorg, waardoor hem trof de ziekte,

Verliet hij toen der menschen lustgewemel

En zocht het licht van God. (2538-40)

Zweden-episode:

Sinds wreekte die zijn koud en zorgvol dolen

En hij ontrukte 't leven aan den rijksheer. (2464-65)

Gaan wij over tot de redevoeringen. Hieraan is geen gebrek,

eenige zelfs zijn van langen adem. Het zal wel niet noodig zijn de

verschillende omstandigheden na te gaan, waarin hun eene plaats

wordt ingeruimd, immers de lezing van het gedicht geeft daarover

eene uitkomst.

In een mannelijk epos als de Beowulf is hunne rol bij de gevechten

van zelf aangewezen, en wel vóór, gedurende en na den strijd.

Eene afzonderlijke vermelding verdient de uitdagingsrede vóór den

strijd, waarin de held zich groote daden voorneemt; zij draagt den

naam van gilp-cwide: trotsrede. Uitdagende woorden moeten bij het

volk gebruikelijk zijn geweest, alvorens den strijd aan te binden;

want anders zou Beowulf vóór den drakekamp niet gezegd hebben, dat

hij van alle tartende taal afziet.

Daarom wordt de held, die aan vele gevechten deelgenomen heeft,

geheeten gilp-hläden, d. i. met trotstoespraken beladen.

Wijzen wij op eenige voorbeelden.

Beowulf zegt tot Hrodgar, op Grendel doelende:

Doch 'k zal hem vatten,

Den vijand, met de vuist, om 't leven vechten,

Man tegen man. (440-42)

Bij 't slapen gaan onmiddellijk voor Grendels aankomst spreekt hij

zijne mannen toe:

Ik reken mij in oorlogsmacht geen minder

Voor 't wapenwerk, dan Grendel waant te wezen. (690-91)

Alvorens in 't meer te springen neemt hij afscheid en besluit met de

stoute taal:

'k Verwerf met Hrunting

Mij roem, of anders rukt de dood mij mede. (1518-19)

Hiertoe behooren ook de bedreigingen, welke Ongentheow de in 't

Ravenbosch gevluchte Gooten toestuurt:

Hij sprak het uit, hij wilde

Hen met den morgen door het lemmer dooden,

Door 't galghout velen, tot der vogels vreugde. (3042-44)

Opmerkelijk is het, dat de helden vóór het gevecht elkander niet de

bekende en zoo natuurlijke Homerische scheldwoorden naar het hoofd

werpen. Hunne noordsche, in zich zelf gekeerde natuur was daartoe

te ernstig. Al zet Beowulf dan ook aan zijnen vuistgreep geen klem

bij door eenige krachtige uitdrukkingen, zijn vastberaden besluit

staat daarom niet minder pal, en de dichter verzuimt niet ons op dat

hardnekkig voornemen te wijzen.

Somtijds dient de redevoering om herinneringen van korter of langer

dagteekening op te halen: Hrodgar herinnert aan Ecgtheóws veete met

de Wylfingen, Beowulf aan de Headobarden en aan Hredel.

Rechtmatige trots op de daden der voorvaderen, welke bij Homeros'

helden zoozeer uitblinkt, spreekt zich ook uit in den Beowulf,

ofschoon minder sterk.

Men denke aan het antwoord, dat Beowulf aan den kustwachter geeft,

en aan zijne eerste aanspraak tot Hrodgar.

Een spottende toon ligt in Beowulfs antwoord aan Unferd, doch vooral

in de gilp-cwide van Sigeferd uit het Finnsburgfragment.

De elegische snaar wordt insgelijks aangeslagen in de rede van den

eenzamen schatbezitter, in de Hredel-episode en in Beowulfs laatste

woorden tot Wiglaf.

Slaan wij nu eenen blik op de beschrijvingen.

In dit opzicht staat ons epos beneden de Ilias.

Ten Brink zegt ongeveer als volgt: Terwijl Homeros de beelden van

de buitenwereld in handeling tracht om te zetten, ons de voorwerpen

aanschouwelijker maakt door te zeggen, hoe zij ontstaan zijn, zoekt

het Oudengelsch epos eerder de handeling in een aantal beelden op

te lossen.

En verder: Bij Homeros zijn de verschillende tijdsgewrichten vast

verbonden, geen wezenlijk lid ontbreekt, de keten is gesloten,

de voortduring der handeling is gewaarborgd; terwijl alleen de

hoofdpunten in den Beowulf worden uitgezocht en zelfstandig, elk voor

zich, geschetst.

Tot staving hiervan wijst ten Brink op de beschrijving van den

overtocht naar Hrodgar (215-31). Inscheping, vertrek, reis, land in

't zicht, uitscheping: ziedaar de vijf hoofdpunten, welke afzonderlijk

behandeld worden, terwijl bijzaken, bijzonderheden en overgangen niet

in aanmerking komen.

Indien men nagaat, welke onderwerpen aanleiding plegen te geven

tot beschrijvingen, dan komen wij alweer tot het besluit, dat de

Angelsaksen een bij uitstek krijgshaftig en zeevarend volk geweest

zijn. Het is hiermee gelegen als met de Kenningar en schilderende

bijbenamingen, welke om zoo te zeggen het stilzwijgen bewaren

over het land en zijne bekoorlijkheden. De rozevingerige Aurora der

Grieken maakt geenen indruk op het gemoed des noordschen dichters. De

zonsopgang wordt slechts in korte trekken geteekend:

Van 't Oosten zeeg het licht, de zegestanderd,

De glanzende van God. (580-81)

Totdat de donkre raaf, verheugd van harte,

Des hemels weelde weder kwam verkonden. (1840-41)

Buiten de beschrijving van het Grendelmeer met omgeving, welke ons

voor het ontbreken van verdere tafereelen schadeloos stelt, wordt de

levenlooze natuur niet herdacht. Eene enkele natuurbeschrijving is

aan te stippen, doch zij is het werk van den inlasscher.

De zanger verhaalt in Heorot:

dat de Almachte

Deze aarde had gevormd met hare velden,

Glansstaltig, waaromheen zich windt het water;

Dat Hij den glans van zon en maan zeeghaftig

Tot licht gesteld had voor de landbewoners,

Getooid met twijg en blad der velden boezem. (93-98)

Eene ruimer plaats valt aan de zee te beurt.

Wij zagen reeds Beowulfs overtocht naar Hrodgar; voegen wij

er zijne terugreis bij en vooral het grootsche tooneel van den

nachtelijken zwemtocht te midden der ontketende stormen en dreigende

zeemonsters. Hier heeft alles reusachtige afmetingen. Het is de poëzie

eens titans, de zee waardig.

Het leeuwenaandeel is nochtans voor de slagbeschrijvingen weggelegd

en alles wat ermede gepaard gaat, als de onmetelijke schatten,

de drijfveer tot den oorlog, waarvan het noordsche brein droomde,

(men vergelijke den drakeschat 2842 vlg.), de kostbare wapens, bij

welker opsomming de dichter gaarne verwijlt, de lijkverbranding na

den val der helden in de Finn-episode en bij Beowulfs begrafenis,

de luidruchtige feestgelagen, hetzij om te verbroederen, hetzij om

de overwinning te vieren.

Men verwachte zich niet op beschrijvingen als bij Homeros, die de hooge

feiten van elken kamper een voor een nagaat, zoodat het handgemengel

in eene rij van afzonderlijke gevechten vervalt, waarvan elk op zijne

beurt samenwerkt tot den kunstvollen eindindruk van het geheel; neen,

onze dichter stapt over alle bijzonderheden heen en spoedt zich naar

het feit, welks uitteekening hij zich ten doel heeft gesteld.

Dit zien wij in de Zweden-episode, waar de gebeurtenissen in beknopten

vorm worden opgesomd, elkander in onafgebroken gang en met versnelde

vaart verdringen, om eindelijk stil te staan bij den kamp van den

slagvaardigen Ongentheow met de gebroeders Wulf en Eofor, hetgeen

enkel en alleen hoofdzaak is voor den dichter:

Nu was het bloedig spoor in 't wijde zichtbaar

Van Zweed en Goot, het zwaardgestorm der mannen,

Hoe onderling de weerbren 't kampvuur wekten.

Nu stapte heen de stoute met de makkers,

De ontroostbre grijs, om op de burcht te trekken,

Nu toog de heerscher Ongentheow ter hoogte.

Dan onderbreekt de dichter de feiten om, gelijk zijn gewoonte is, op

de gemoedsstemming van den hoofdpersoon het licht te doen vallen. Hij

gaat daarna voort:

En dicht bij zijnen aardwal dook weer de oude.

Vervolging werd verklaard aan 't volk der Zweden,

En Hygelac ter hand gesteld hun standaard.

Zij stapten over hun versterkte stelling.

Nu drongen Hredels drommen naar de schildspits. (3049-65)

Nochtans is de indruk van meer dan eene slag-beschrijving aangrijpend,

overweldigend in hare korte gespierdheid. Beowulf heeft dikwijls

getrotst

den ijzerhagel,

Als krachtig voortgestuwd de storm der pijlen

Heenbruiste boven eene schans van schilden

En, vliegensreede door zijn veeruitrusting,

De schacht zijn diensten deed, den pijl vervolgde. (3229-33)

Onder de strijdtafereelen spant de kamp op den bodem van het nikkermeer

en de aanval op de Finnsburg ontegenzeggelijk de kroon.

De dichter veroorlooft ons tevens eenen dieperen blik te slaan in

het gemoed der strijdende partijen, dank aan trekken, welke, hoe

kort dan ook, getuigenis afleggen van een loffelijk streven naar

zielkundige ontleding.

Nauwelijks is Grendel de troonzaal binnengetreden, of het gezicht

van de slapende mannen prikkelt zijne vraatzucht en vervult hem

met vreugde:

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 36 / 137 题