Bouw van het halfvers in 't algemeen. Sievers onderscheidt er de
volgende bestanddeelen:
1º de beklemtoonde lettergrepen of heffingen (´); zij zijn twee
in getal.
2º de onbetoonde lettergrepen of dalingen (×).
3º de minder betoonde lettergrepen, welke, naar gelang hunne omgeving,
dienst kunnen doen voor dalingen b. v. kérkdeu×r, of voor
bijheffingen (`) b. v. wíndmòle×n.
Het halfvers bestaat doorgaans uit vier leden, welke hetzij
paarsgewijze zijn verbonden, volgens het schema 2 + 2, hetzij niet
paarsgewijze, volgens het schema 1 + 3 ofwel 3 + 1.
Vandaar, wat de maat betreft, vijf verschillende grondvormen in
het halfvers:
A -´ × | -´ ×
B × -´ | × -´ schema 2 + 2
C × -´ | -´ ×
D -´ | -´ -` × schema 1 + 3
-´ | -´ × -`
E -´ -` × | -´ schema 3 + 1
-´ × -` | -´
Buitendien komen er nog onderverdeelingen in aanmerking, drie voor A,
drie voor C, vier voor D, twee voor E.
In het Angelsaksisch komt de grondvorm A het meeste voor, dan in
afnemende orde B, C, D. Het minst vertegenwoordigd is E.
Het stafrijm valt op de heffingen; in ons epos gewoonlijk op de
beide heffingen van het eerste, en op de eerste heffing van het
tweede halfvers.
Alle klinkers allitereeren met elkander, eveneens gelijke medeklinkers,
alsmede v en w, uitgezonderd de verbindingen sk, st, sp, welke noch
op elkaar, noch op andere s-groepen, noch op eenvoudige s kunnen slaan.