Het handschrift klimt op tot de 10de eeuw en wel tot de 2de helft,
naar ten Brink; het is het werk van twee afschrijvers, van welke
de tweede, die zich vooral door het gebruik van ió in plaats van eó
kenmerkt, bij het woord môste v. 1940 begint.
Het handschrift bevindt zich te Londen, in de Cottonische Bibliotheek
van het British Museum.
Ziehier wat Thorpe er in zijne Inleiding over zegt:
Al de handschriften der Angelsaksische poëzie zijn van eene
betreurenswaardige onnauwkeurigheid en verraden bijna op elke
bladzijde de onwetendheid van eenen ongeletterden afschrijver, die
(gelijk het de kloostergewoonte was) dikwijls op dictee neerschreef;
maar onder de Angelsaksische handschriften mag, ik ben er zeker van,
dat van den Beowulf in gemoede als het slechtste beschouwd worden,
afgezien van zijnen huidigen beklaaglijken toestand, ten gevolge
van den brand in Cotton House in 1731, die het ernstig beschadigde,
zoodat het gedeeltelijk wrijfbaar als zwam is geworden.