Uit welken tijd dagteekent de vervaardiging van het Beowulf-epos? Het
ligt in den aard der zaak, dat het epos slechts langzamerhand door
ineensmelting van meer of minder oude zangen zijnen tegenwoordigen
vorm verkregen heeft, zoodat deze letterkundige kristallisatie zich
over verschillende eeuwen kan hebben uitgestrekt.
Daarom zullen wij eerst de grenzen afbakenen, waartusschen het gedicht
moet tot stand gekomen zijn.
Afgezien van den Beowa-mythos kan er van het eigenlijke epos geen
sprake zijn vóór 515-20, toen de inval van Hygelac plaats greep.
Van den anderen kant moet het gedicht vóór de 9de eeuw, d. i. vóór
de plundertochten der Denen in Engeland, kant en klaar zijn geweest;
hoe zou men anders aan de Denen zulken lof toegezwaaid hebben?
In deze speelruimte van ruim twee en een halve eeuw valt een tijdperk
uit de Engelsche geschiedenis aan te wijzen, dat onder het oogpunt
van beschaving aan de voorwaarden beantwoordt, welke ons epos
noodzakelijkerwijze vooropstelt.
Deze voorwaarden zijn volgens ten Brink: een volksbewustzijn, dat
zich uit in het gevolgschapswezen, beschaving, verzachting der zeden,
verdraagzaam samenzijn van christendom en heidendom.
Welnu aan al deze eischen voldoet de maatschappelijke toestand van het
Northumberlandsche rijk in 't begin der 7de eeuw, onder de regeering
van Eádwini.
Hij was het die Bernicië en Deira tot één rijk vereenigde, zijn
gezag uitbreidde, de Kelten en Schotten met goed gevolg beoorloogde,
de openbare veiligheid, eene voorwaarde van alle ware beschaving,
in de hand werkte en in 627 tot het Christendom overging.
Na hem bereikte Northumberland onder Oswald en daarna onder Oswiu
zijne hoogste macht.
Toen vormde zich die breede epische stijl, welke in de 2de helft der
7de eeuw in het naburige rijk Mercië zijn beslag kreeg, vooral door
toevoeging van episoden.
Het Beowulf-epos werd dus in den loop der 7de eeuw voltooid.