Of Beowulf het werk van eenen Engelschen, Deenschen, dan wel Zweedschen
dichter is, blijft tot nog toe de twistappel.
Drie punten vergen vooraf de aandacht:
1º Hoe komt het, dat de Angelen en Saksen niet genoemd worden in een
in het Angelsaksisch opgesteld gedicht, dat zoovele volksnamen behelst?
Hierop is nog geen bevredigend antwoord ingediend. Ten Brink geeft de
volgende verklaring: Toen de gebeurtenissen plaats grepen, welke het
ontstaan zouden geven aan Beowulf, was een groot deel der Engelsche
stammen reeds naar Brittanië vertrokken. Van hen, die in het vaderland
waren gebleven, waren de meesten reisvaardig en dachten alleen aan
de nieuwe woonstede.
2º Daar de Geátas herdacht worden in een Angelsaksisch gedicht, staan
wij voor het verbazende feit, dat vreemdelingen bezongen worden in
een nationaal epos.
Deze moeilijkheid valt weg, als men zich te binnen brengt wat
boven gezegd werd, dat zich onder de uitgewekenen naar Engeland ook
Jutten bevonden, welke, zooniet van denzelfden stam, dan toch met de
Angelsaksen verwant waren.
3º Over Deensche toestanden wordt met kennis van zaken en met
belangstelling uitgeweid; immers de ligging van Hrodgars burcht niet
ver van zee, de zorgvuldige beschrijving van Heorot en vooral van de
omgeving, de bekendheid met de verhoudingen aan het Deensche hof,
dit alles bewijst, dat de dichter de landstreek tusschen Roeskilde
en Lerje, de oude zetelplaats der Deensche koningen op Seeland,
met eigen oogen heeft opgenomen.
Deze getrouwheid der plaatsbeschrijving, welke men zich in de
veronderstelling van een in Engeland geboren epos moeilijk kan
verklaren, is een der voornaamste redenen, waarom Sarrazin in den
Beowulf de vertaling ziet van een oorspronkelijk Deensch gedicht.
Thorpe kent er, schoon steunende op zwakker gronden, eenen Zweedschen
oorsprong aan toe. Hij beroept zich op het vers in de Inleiding, waar
gezegd wordt, dat Beowulfs roem de Schedelanden d. i. Scandinavië
binnendrong; waardoor de dichter te kennen geeft, dat het verhaal
hem in zijn eigen «home» bereikt heeft.
Vervolgens zou het gedicht naar Engeland zijn overgebracht, alwaar
het tijdens de invallen der Denen vertaald werd. Rönning werkt Thorpes
opvatting verder uit.
Eindelijk hebben wij de meening van Müllenhoff en ten Brink; voor
hen is de Beowulf geene vertaling, geen vreemd lettervoortbrengsel,
maar een echt Oudengelsch gewrocht.
Deze laatste zienswijze vindt de meeste voorstanders.
Wij zullen de verschillende bewijsgronden niet nagaan, welke voor of
tegen elk der drie meeningen zijn ingebracht, maar ons bepalen bij
eene beschouwing van ten Brink, welke ons afdoende voorkomt.
De eigenschappen, waardoor de Beowulf uitblinkt, veronderstellen
eenen hoogen graad van zedelijke ontwikkeling, van beschaving, welke
in de 7e eeuw en 8ste eeuw bij geen Germaansch volk, tenzij bij de
Engelschen, wordt aangetroffen en allerminst bij de Scandinaviërs
(Denen en Zweden).
«Man vergegenwärtige sich doch nur den Verkehr zwischen Beowulf und
dem Dänenkönige, seinem ganze Verlaufe nach, um die Ueberzeugung zu
gewinnen, dass hier eine Humanität sich äussert, von der die ältere
Dichtung anderer germanischer und ebenso romanischer Völker kein
Beispiel bietet.»
Ten Brink merkt buitendien nog op, dat geen der verwante Scandinavische
sagen den echten naam van den held kent, welke Bjólfr zou moeten
luiden, evenmin als de Noordsche overlevering eenige herinnering
bewaard heeft van den strooptocht naar den Rijn, die den stoot gaf
tot de vorming onzer heldensage.