De meeningen loopen uiteen. Kemble hield de Geátas voor Angelen;
Ettmüller, Thorpe en Müllenhoff voor de bewoners van zuidelijk Zweden;
want de vorm Geátas stemt, volgens de woordafleiding, overeen met
Zweedsch Gotar, Oudnoordsch Gautar, waardoor de bevolking van de
Zweedsche landstreek Westergötland bedoeld wordt.
Leo en Bugge zien er integendeel de Jutten in, al stuiten zij ook op
de spraakkundige moeilijkheid, dat de vorm «Jutten» in 't Angelsaksisch
Eótas, Jotas, (Oudnoordsch Jótar) en niet Geátas moest opleveren.
Halen wij Bugge's voornaamste bewijsgronden aan, hoofdzakelijk ontleend
aan den Zweedschen geschiedschrijver Pontus Fahlbeck, en welke mijns
inziens de schaal te zijnen voordeele doen overhellen.
Een taalkundig bewijs tegenover taalkundig bewijs is het volgende: In
de vertaling van Beda's werk De Jutarum Origine geeft koning Alfred,
die toch in het Angelsaksisch thuis moest zijn, den naam Jutten door
Geátas weer, daar hij het Latijnsche opschrift door Of Geáta fruman
vertolkt.
Uit talrijke plaatsen van het gedicht komt men tot de overtuiging,
dat de Geátas een zeevarend volk zijn. Dit past geheel en al bij de
Jutten, maar niet bij de Westergoten, wier hoofdnederzetting sinds
alouden tijd bij Skara is geweest. Deze Zweedsche Westergoten hebben
bijna geene kusten en laten zich in de geschiedenis niet als eigenlijk
zeevolk aanwijzen.
Geátas en Swéon (Zweden) zijn door de zee gescheiden, welke naar luid
van het epos de eenige verbindingsweg moet zijn.
Welnu deze gemeenschap langs den waterweg is onvereenigbaar met de
plaatselijke verhouding tusschen Westergotland en het eigenlijke
Zweden, doch noodzakelijk bij de ligging van Jutland.
Hygelac, koning der Geátas, onderneemt eenen krijgstocht, naar het
land der Franken; in overeenstemming hiermede beschouwen de Geátas
de Franken en Friezen als hunne hoofdvijanden na de Zweden.
Dit klinkt zonderling, als er van de verre Westergoten sprake is,
doch is natuurlijk, als men aan de Jutten denkt.
Bij de Frankische kroniekschrijvers wordt Hygelacs volk Dani
geheeten. Dit verstaat zich gemakkelijk van de Jutten, die in de
Noordsche bronnen van historischen tijd onder de Denen begrepen worden,
doch niet van de Zweden.
Dat ons epos Geátas en Denen streng uit elkander houdt, vindt zijne
verklaring in den staatkundigen toestand der beide volken, die elk
een afzonderlijk rijk uitmaakten.
B. ten Brink neemt eene afzonderlijke stelling in. Voor hem zijn
de Geátas noch Angelen, noch Zweden, noch Deensche Jutten, maar
Engelsche Jutten.
Hij beroept zich op de volgende plaats van Beda: «De Jutarum origine
(Deensche Jutten) sunt Cantuarii (die van Kent) et Victuarii, hoc
est ea gens, quae Vectam (eiland Wight) tenet insulam et ea, quae
usque hodie in provincia Occidentalium Saxonum (Wessex) Jutarum natio
nominatur, posita contra ipsam insulam Vectam.»
Dus Kent, Wight en de tegenoverliggende kuststreek in Wessex werden
door denzelfden stam bewoond, terwijl de laatsten in Beda's tijd nog
den naam van Jutten voerden.
Deze Engelsche Jutten waren, volgens ten Brink, niet van hetzelfde
bloed als de latere bewoners van Jutland. Hij veronderstelt, dat hun
naam aan het land gebleven is na hun vertrek naar Brittanje, zoodat
hij op de later komende Deensche Jutten overging. Deze oudste Jutten
zijn derhalve de Geátas.
Er bestaat geen ernstige grond om tusschen de Engelsche en Deensche
Jutten eene scheidslijn te trekken.
Much neemt aan, dat zich Jutten onder de Germaansche veroveraars van
Engeland bevonden, doch hij ziet er en met hem Möller geen van de
Deensche Jutten onderscheiden, maar wel hetzelfde Duitsche volk in,
waarvan een deel op Jutland bleef en met de nieuw aangekomen Denen
het land verdeelde. [21]