CHRISTENDOM.

Alle beoordeelaars zijn het eens, dat het Christendom geenen

ingrijpenden, maar eenen hoogst oppervlakkigen invloed op het epos

heeft uitgeoefend.

Deze invloed is aan den inlasscher te wijten, wiens bedrijvigheid

gemakkelijk te onderkennen is.

Gaan wij de sporen van zijne werkzaamheid na.

Wat aan het heidendom herinnerde werd of weggelaten (dit kunnen wij

dus niet meer nagaan), of met eene christelijke kleur overgoten. Zoo

trad de ééne God in de plaats van het heidensche godendom.

De inlasscher volgt hier dus dezelfde gedragslijn als die, welke de

geloofspredikers zich bij de heidensche gebruiken en bijgeloovigheden

hadden voorgeschreven: zij roeiden ze niet uit, want ieder nieuw

beginsel kan slechts gedijen door zich bij 't bestaande aan te sluiten,

maar zij ontnamen er het heidensche karakter aan, door ze met de

kerkelijke plechtigheden of met den dienst der heiligen in verband

te brengen.

1º Aan God wordt in het gedicht eene ruime plaats ingeruimd.

Hij bestuurt het menschdom: hij schenkt roem en overwinning (dit

is nochtans ook een kenmerk van Wodan); hij stelt eenen wachter op

tegen Grendel, zijnen vijand, want hij alleen kan hem beteugelen;

hij gedoogt niet, dat de op hem vertrouwende Beowulf door Grendels

hand zal sterven; hij toont hem het reuzenzwaard, enz. enz.

God wordt bedankt voor verleende hulp: zoo prijst Hrodgar hem bij

Beowulfs opbeurende woorden, bij de nederlaag van Grendel, bij het

zien van dezes hoofd; zoo doet Beowulf na den voorspoedigen overtocht,

zoo de Gooten als hun vorst uit het meer opduikt, en Hygelac bij het

terugzien van Beowulf.

Hij bestuurt het heelal: hij is de ware schepper, regelt de

jaargetijden, doet de planten groeien en schenkt ons het licht der zon.

Hemel, hel en duivel worden ook genoemd.

2º Deze invloed doet zich nog gelden in de bijbelsche toespelingen:

dag des oordeels, schepping, zondvloed, Kaïn, en in de christelijke

zedelessen, welke rechts en links met kwistige hand zijn rondgestrooid

en waarop wij bij gelegenheid zullen terugkomen.

3º Eenige Kenningar zijn van christelijken oorsprong. Hiertoe behooren

de omschrijvingen van God, b. v. de eenige heer, de koning der glorie,

de albestuurder, de hemelkoning, de roembeschikker, de hemelbestuurder,

de glorievorst, de glorieherder, de albeheerscher, de vader, de heer

des levens, der daden rechter enz.

Hierbij zij nochtans opgemerkt, dat Wodan ook vader, alvader, uitdeeler

der glorie, roemvervuller geheeten wordt.

Hel, hemel en duivel worden niet met Kenningar bedacht; want het is

niet uit te maken, of de benamingen van Grendel oorspronkelijk van

den duivel gezegd werden.

Sterven wordt omschreven door: in 's Heeren hoede sterven; het heil

des hemels zien; het heil der heiligen, het licht van God zoeken.

Men ziet hieruit, dat het wezen zelf van het epos onaangetast blijft.

4º Christelijke inwerking is nog te bespeuren in Beowulfs opvatting

van den tweekamp, waarin hij een soort van godsoordeel ziet; dit doet

hij tot tweemaal uitschijnen:

En wien de dood dan wegrukt,

Die zal verstaan des Albestuurders oordeel. (442)

De wijze Godheid zal daarop de zege

Verbinden aan de hand van een van beiden,

De heilige Heer, alnaar hij 't nuttigst oordeelt (699-701).

Deze opvatting ontstond in 't begin der 6de eeuw alleen bij de Germanen

en dan nog na hunnen overgang tot het Christendom [2].

Het dient opgemerkt, dat de Christelijke toevoegsels nu en dan zich

tegenspreken.

De dichter zegt van de Denen, als er sprake is van de heidensche

tooverkunsten om Grendel te bezweren:

Dat waren zoo hun zeden,

Hun heiden-denkwijs; naar de helle streefden

Zij in 't gemoed. Zij kenden niet den Meester enz. (182-84).

Het waren dus heidenen! Later nochtans ziet de inlasscher deze

uitspraak over het hoofd, wanneer hij Hrodgar bij herhaling God laat

bedanken en hem zelfs eene stichtelijke redevoering in den mond legt:

O Wacht u voor dit zoo verwaten streven,

Mijn lieve Beowulf, gij der helden beste,

En kies 't voordeeligst, 't eeuwigdurend welzijn (1794-96).

Eenige sporen van het heidendom hebben zelfs stand gehouden, als

de wichelarij (208), het weefsel der zege, de vloek op 't goud,

de everhelmen, de reuzen en nikkers, doch vooral het geloof aan

het noodlot:

Gelijk het moet, zoo nadert steeds het noodlot. (459).

't Noodlot sleepte

De helden heen naar Grendels schrikverschijning (481).

Zelfs wordt het op ééne lijn met God genoemd:

Had hem niet afgeweerd de wijze Godheid

Met Wyrd en moed des mans (1070-71).

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 24 / 137 题