HELDENSAGE EN VOLKSEPOS.

Het volksepos put zijne stof uit de heldensage.

Door heldensage verstaat men den gezamenlijken schat van nationale

overleveringen uit het heldentijdvak van een volk, welke het ontstaan

schonken aan eenen kring van epische liederen, met een of meer helden

tot middelpunt.

De heldensage bestaat dus uit afzonderlijke sagen, die elk op zich

een bepaald feit als een afgesloten geheel behandelen.

Zoo schildert het Hildebrandslied, dat tot de Oostgotische heldensage

van Diederik van Bern behoort, den strijd tusschen Diederiks dienstman

Hildebrand en dezes zoon Hadruband.

Zoo toovert ons het schoone Finnsburgfragment, dat tot den kring

der Noordzeeheldensage gerekend wordt, den aanval der Friezen op de

Finnsburg voor oogen.

Bijna alle epische zangen, welke zich in het volksheldendicht

opgelost hebben, zijn als zelfstandig geheel verloren geraakt;

nochtans kan men uit hoofde van het hier gezegde hun bestaan niet in

twijfel trekken, te meer daar zij bij de ontleding van elk volksepos

in zijne hoofdbestanddeelen bij benadering zijn aan te wijzen.

Twee andere bewijzen vinden wij in de geschiedenis, welke, zooals

gewoonlijk, ook hier eene hulpvaardige hand aan de letterkunde reikt.

Tacitus zegt, dat de geschiedenis der Germanen uit aloude zangen

bestond, waarin zij hunne goden en helden verheerlijkten [3]. In

zijnen tijd bezongen zij zelfs Arminius, die eenige jaren te voren

het volk van het Romeinsche juk bevrijd had [4].

Jornandes [5] getuigt hetzelfde van de Goten:

«Zij verheerlijkten in het lied door zang en harp de daden

der voorvaderen, van Ethespamara, Amala, Fridigern, Widicula en

anderen, van welke deze volken eenen hoogen dunk hebben, zoodat de

bewonderenswaardige oudheid nauwelijks er op kan bogen, zulke helden

te hebben gehad.»

De dichterlijke overlevering in den volksmond is een der hoofdbronnen,

waaruit de eerste kroniekschrijvers over Germaansche toestanden hunne

berichten geput hebben, bij gebrek aan geschiedkundige bescheiden. Het

is de taak des geschiedschrijvers, deze sagen, in een historisch gewaad

gestoken, van de geschiedkundige bestanddeelen streng af te zonderen;

voor ons is de wetenschap voldoende, dat zij bestaan.

Jornandes heeft, hoofdzakelijk waar hij over Hermanaric en Attila

spreekt, buiten kijf de volkspoëzie geraadpleegd.

Savagner erkent dit in zijne inleiding:

«...l'on ne peut reconnaître et déterminer les passages que Jornandès

doit à Cassiodore, ceux qu'il doit à d'autres auteurs, ceux enfin où

il prétend s'appuyer sur les antiques traditions et sur les chants

nationaux des Goths.» bl. VII.

Paulus Diaconus heeft ons in zijne geschiedenis der Longobarden den

rijksten schat van heldenoverleveringen bewaard.

De monnik Widukind nam meer dan een oud lied in zijne Res gestae

Saxonicae op.

Saxo Grammaticus behandelde de ontelbare dichterlijke verhalen, welke

hij uit den mond zijner landgenooten opteekende, als de kostbaarste

bouwstof voor zijne geschiedenis der Denen. Zij beslaan de negen

eerste boeken zijner kroniek en vormen gedurende verscheidene eeuwen

uitsluitend de geschiedenis van Denemarken [6]. Van al de Germaansche

stammen werden tot nog toe alleen de Franken beschouwd als arm te

zijn aan epische overleveringen.

Dit dwaalbegrip heeft Kurth in zijn standaardwerk voor goed uit den

weg geruimd [7], een werk dat de sagenvorscher in het vervolg dient

te raadplegen en dat den geschiedkundige het middel aan de hand doet

om historie en dichterlijke overlevering te schiften.

Hij toont aan, dat de drie kroniekschrijvers van het Merovingische

tijdperk: Gregorius van Tours, Fredegarius en de naamlooze schrijver

van Liber Historiae op vele plaatsen geenen anderen zegsman kunnen

gehad hebben dan de levende volksoverlevering.

Uit de balans van geschiedenis en sage, welke hij opmaakt, blijkt

zonneklaar, dat in dit opzicht de Franken door geen ander Germaansch

volk in de schaduw gesteld worden.

Nu dat het bestaan van afzonderlijke sagen boven allen twijfel

verheven is, kan men zich afvragen, hoe zij tot stand kwamen. Zij

zijn te beschouwen als de natuurlijke uiting van den algemeenen

volksindruk bij het aanschouwen van eene belangrijke gebeurtenis of

van een treffend natuurverschijnsel.

Geven wij hier het woord aan Jonckbloet [8]:

«Hoe jonger een volk, hoe meer er een algemeen peil van ontwikkeling

is, waarboven zich ter nauwernood iemand verheft.

Treffende gebeurtenissen moeten dus wel op allen nagenoeg denzelfden

indruk maken: vandaar, dat het epische lied, door één begaafde

ontboezemd, weerklank vindt bij allen, gemakkelijk onthouden en van

mond tot mond voortgeplant wordt.

Daar het gewrocht van een enkelen intusschen niet volkomen den geheelen

volksgeest teruggeeft, wordt er bij de mondelinge overlevering hier

een trek weggelaten, daar een andere aan toegevoegd, totdat eindelijk

het geheel, ontdaan van wat er nog individueels aan mocht kleven,

werkelijk de ware volksuitdrukking genoemd mag worden. Daarom draagt

die overlevering terecht den naam van volksoverlevering, of, daar zij

zich steeds in dichterlijken vorm openbaart, van volkspoëzie. En geen

afzonderlijke zanger is als de zelfstandige dichter aan te wijzen,

omdat inderdaad de geheele stam, het geheele volk, heeft bijgedragen

om haar te vormen.»

De dichter of beter de voordrager van zulke sagen heette bij de

Angelsaksen scop; soms was hij te gelijkertijd toonkunstenaar en

begeleidde zijne voordracht met de harp; somtijds reisde hij van

land tot land, gelijk het overal in de middeleeuwen de gewoonte der

wandeldichters gebleven is.

Zoo was het mogelijk, dat de heldensagen van het vasteland in Beowulf

eenen weerklank vonden, ja, dat bij de Angelsaksen een gedicht kon

ontstaan, dat het wereldburgerschap van het latere Engelsche volk

reeds in de kiem vertoonde, de Wîdsîdh of Verbereisde, hun oudste

letterkundig gewrocht, waarin wij een overzicht hebben van al de

destijds bekende helden der volksverbeelding.

Doch hieruit volgt ook, dat het voortbestaan van de sagen aan vele

wisselvalligheden onderhevig moest zijn.

Dit springt nog meer in 't oog, wanneer men nagaat, dat deze liederen

enkel aan het geheugen toevertrouwd werden en dat zij mettertijd in

aantal moesten toenemen.

Zoo kon, gelijk ten Brink aanmerkt, den eenen dichter iets bekend

zijn en den anderen niet, en zoo was het geval mogelijk, dat eene

sage, welke oorspronkelijk bij eenen bepaalden stam inheemsch was,

er later uit den vreemde in gewijzigden vorm terugkeerde en als iets

nieuws werd opgenomen.

Zoo doet zich het verschijnsel ook voor, dat dezelfde dichterlijke

gegevens opvolgendlijk in den loop der tijden op verschillende personen

worden overgedragen [9].

Dit zien wij in de Sigmund-episode.

Nochtans kon er geen sprake zijn van oorspronkelijkheid in de

tegenwoordige beteekenis van het woord.

Niet alleen was de dichter, ten minste voor 't Angelsaksisch,

aan eene bepaalde beeldspraak en versmaat gebonden, maar hij was

ook verplicht zich, wat de stof aanbelangt, aan de overlevering

te houden, zooals die iedereen in de voornaamste trekken voor den

geest zweefde; b. v. aan het ideaal, dat zich het volk voorstelde,

aan de schildering van een karakter, waarvan men zich eene bepaalde

en geliefkoosde voorstelling gemaakt had.

Ten Brink kenschetst dezen toestand in de volgende woorden:

«Dies ist also ein geistiger Zustand, wo fast jede Reproduktion etwas

von eigener Produktion und wo jede Produktion ohne Ausnahme ein gut

Teil blosser Reproduktion in sich enthält.»

Deze, zooals blijkt, van nature zoo veranderlijke sagen werden nog door

twee groote geschiedkundige feiten gewijzigd: door de volksverhuizing,

welke het oude op den achtergrond schoof en met eenen nieuwen

toevoer van personen en daden vermengde, en door de invoering van het

Christendom, dat de heidensche bestanddeelen uitroeide, vervormde,

of er christelijke denkbeelden bijtrok.

Op deze wijze bleef de heldensage als een levend iets in onafgebroken

wording, in gedurige stofwisseling voortbestaan, totdat eindelijk

een min of meer bekwaam dichter opstond, die de losse deelen tot één

geheel vereenigde: het volksepos was geboren.

F.-A. Wolf heeft op het einde der vorige eeuw den weg gebaand tot

deze levenwekkende beschouwing van het volksepos in zijne Prolegomena

ad Homerum, waarin hij aantoont, dat de Odyssee en de Ilias niet het

uitsluitend werk van eenen dichter, maar van onderscheiden rhapsoden

zijn.

De Duitsche geleerden, welke op het gebied der Germaansche letterkunde

denzelfden weg insloegen hebben dit stelsel verder ontwikkeld en op

deze wijze aan de geschiedenis een vuurbaak ontstoken op het duistere

pad der vroegste middeleeuwen.

Eene andere vraag doet zich op: Welk is het wezen der heldensage;

uit welke soort van dichterlijke overleveringen is zij saamgevloeid?

Drie bestanddeelen zijn in de Germaansche heldensage te onderscheiden:

geschiedenis, mythus en dichterlijke vinding.

Gaan wij elk der drie punten na:

Het epos is bij alle volkeren de eerste vorm van geschiedenis geweest;

't is, naar de eigenaardige uitdrukking van Kurth, de geschiedenis

vóór de geschiedschrijvers. Het volk onthoudt alleen die trekken,

welke het begrijpt, welke tot zijne verbeelding spreken, den weg tot

zijn hart vinden; het bewondert den held en mensch, niet den staatsman,

en ziet dikwerf gebeurtenissen over het hoofd, die onder geschiedkundig

oogpunt het meeste gewicht in de schaal leggen.

Wat b. v. de volksverbeelding in Clovis zoozeer boeit, is niet de

groote rol, welke hij in Gods wereldplan vervulde, de verovering van

Gallië en de grondvesting van een machtig christelijk rijk; maar wel de

omstandigheden van zijn huwelijk, de parten, welke een geslepen Romein

hem speelde, zijne ongenadige bijlslagen en zijne moorddaden [10].

Zoo lang als de menigte de dichterlijke overleveringen voor zuivere

waarheid aanneemt, blijft epos en geschiedenis vermengd; doch zoodra

zij het onderscheid begint in te zien tusschen de geschiedkundige

werkelijkheid en de ideale voorstelling, welke zij er zich van gemaakt

heeft, dan is het morgenrood voor de geschiedenis en de avondglans

voor het volksepos verschenen [11].

Een groot feit, dat den eigen stam of naburige stammen getroffen heeft,

moet onmiddellijk, onder den indruk der gebeurtenissen, liederen

doen ontluiken, op straffe van anders te verdwijnen met het geslacht,

dat er van getuige was; want eene geschiedkundige volksoverlevering

bestaat er niet.

Het is opmerkenswaardig, dat dit groot feit gewoonlijk eene nederlaag

is. De reden ligt voor de hand [12].

Voor krijgshaftige volken is de zegepraal hunner vorsten iets zeer

natuurlijks en gewoons, terwijl hunne nederlaag ondenkbaar is.

Hiertegen komt de gekrenkte volkstrots in verzet; hij tracht de

nederlaag te verbloemen door den tegenstand zoo heldhaftig mogelijk

op te hemelen, den roem der weerpartij echter te verkleinen door de

overwinning aan de overmacht ofwel aan verraad toe te schrijven [13].

Stappen wij over tot het tweede punt.

De zucht om de daden van zulk een geschiedkundigen held breeder uit te

meten en in een bovennatuurlijk licht te plaatsen heeft de versmelting

ten gevolge van de historische sage, waarvan wij hierboven spraken,

met de mythische of heroïsche, d. i. met overleveringen van goden

en halfgoden uit een ouder tijdperk, overleveringen, die in den

grond niets anders zijn dan eene dichterlijke verpersoonlijking der

natuurkrachten.

De neiging tot het bovennatuurlijke is eigen aan de volken, welke nog

op den eersten trap der beschaving staan. Ziet men dit niet bij de

wilde stammen, die vrije kinderen der natuur, ja bij sommige eenvoudige

landlieden uit onze onmiddellijke omgeving? Zoo spreekt, om maar één

voorbeeld te noemen, Gustave Aimard in een zijner boeiende verhalen

van zijne persoonlijke kennismaking met een Indiaansch opperhoofd,

die maar niet kon gelooven, dat Napoleon I gestorven was. Immers de

zon sterft nooit, en de groote sachem der blanken was voor hem een zoon

der zon en diende bij gevolg onder de goden gerangschikt te worden.

Aimard voegt er bij, dat ongetwijfeld menig Fransche landman in die

meening deelde.

Het derde bestanddeel is eindelijk de dichtkunst, welke de daden van

den zoo vergoddelijkten held met omstandigheden van eigen schepping

opsmukt en somtijds aan hoogere, zedelijke eischen voldoening geeft.

Passen wij deze beginselen op het Beowulfepos toe.

Onze taak zal zijn aan te toonen, dat er een geschiedkundige Beowulf

bestaan heeft, op wien de daden van eenen heros, Beowa geheeten,

zijn overgebracht.

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 25 / 137 题