terwijl de sombere man, als een tweede Hagen, in het geheim de
onfeilbare wraak uitbroeit.
Ja, de bloedwraak is sterker dan de liefde tot de aangebeden gade.
Ingelds vader is in den kamp met de Denen gevallen; om hem met zich te
verzoenen schenkt Hrodgar hem de hand zijner dochter. Een tijd lang
sluimert de wraakzucht in de borst van den jongen krijger, ingewiegd
als zij is door het huwelijksheil. Doch daarna breekt zij plotseling
en verdelgend los, en de vreugde verkeert in wanhoop:
Dan zal der ridders eed van beide zijden
Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in Ingeld,
En koeler wordt de liefde tot zijn weerhelft. (2118)
De Germaansche wereld moet dikwijls getuige zijn geweest van zulken
plotselingen omkeer, want er staat:
Niet zelden, maar te dikwerf, rust de moordspeer
Een korte wijle na den val des konings,
Al mag dan ook de bruid uitmuntend wezen. (2082-84)
Onuitwischbare schande is het aandeel van hem, die den gevallen
bloedverwant niet wreekt.
Dit getuigt het niet minder dramatische, roerende, ja onovertroffen
verhaal van koning Hredel.
Zijn oudste zoon Herebald is door diens broeder, Hadcyn, toevallig
bij het boogschieten gedood. Deze manslag eischt vergelding; dit is
de ijzeren wet.
Wat is aangrijpender dan de smart van den grijsaard, welke treurt
over het verlies van zijnen oudsten zoon!
Hij zal zich steeds bij elke morgenstonde
De heenvaart heugen van zijn vroegstgeboren;
Niet wenscht hij nog een ander erfbewaarder
Te ontbeiden in het binnenst van het burgslot.
Wie beseft niet den strijd, welke in zijn binnenste omgaat tusschen
zijnen plicht en zijn vaderhart; immers hij kan den dooder niet
straffen, want het is ook zijn zoon!
Want gruwlijk is 't den grijsaard om te ervaren,
Dat ginds zijn zoon, de jonge, rijdt aan 't galghout.
Dan moge hij 't weemoedig lied verheffen,
Den naren zang, wanneer zijn bloed daar bengelt,
De raaf tot lust, terwijl hij geene redding
Verleenen kan, bejaard en hoog van dagen. (2514-19)
Uit schaamte vlucht hij het bijzijn der menschen, verbergt hij zich
in de donkerste schuilhoeken zijner woning, want
het leek hem alles
Te ruim, en veld en woon. (2531)
De ontroostbare vader vindt slechts eene uitkomst in den dood:
In deze zorg, waardoor hem trof de ziekte,
Verliet hij toen der menschen lustgewemel
En zocht het licht van God. (2538-40)
Het is opmerkenswaardig, dat Beowulf nooit afbreuk gedaan heeft
aan zijne riddereer in het uitoefenen der wraak; hij maakt eene
loffelijke uitzondering op den algemeenen regel, hoe onverklaarbaar
dit ook schijne in een epos, dat in den grond heidensch is gebleven.
Hij smeedde nooit duistere plannen als Hengest, hij brak nooit zijn
gegeven woord als Ingeld en de vorige. Hij mag den dood met kalmte
te gemoet zien, want hij heeft zich in dit opzicht niets te verwijten:
(ik) zocht geen moordlist,
Noch legde menig eed af onrechtmatig.
Des mag ik mij, gekweld door stervenskwalen,
Om 't al verheugen, want de Heer der menschen
Zal mij den moord niet wijten van de magen. (2826-30)