In alles een bij Finn; (1143)

terwijl de sombere man, als een tweede Hagen, in het geheim de

onfeilbare wraak uitbroeit.

Ja, de bloedwraak is sterker dan de liefde tot de aangebeden gade.

Ingelds vader is in den kamp met de Denen gevallen; om hem met zich te

verzoenen schenkt Hrodgar hem de hand zijner dochter. Een tijd lang

sluimert de wraakzucht in de borst van den jongen krijger, ingewiegd

als zij is door het huwelijksheil. Doch daarna breekt zij plotseling

en verdelgend los, en de vreugde verkeert in wanhoop:

Dan zal der ridders eed van beide zijden

Verbroken zijn, als bloedhaat bruist in Ingeld,

En koeler wordt de liefde tot zijn weerhelft. (2118)

De Germaansche wereld moet dikwijls getuige zijn geweest van zulken

plotselingen omkeer, want er staat:

Niet zelden, maar te dikwerf, rust de moordspeer

Een korte wijle na den val des konings,

Al mag dan ook de bruid uitmuntend wezen. (2082-84)

Onuitwischbare schande is het aandeel van hem, die den gevallen

bloedverwant niet wreekt.

Dit getuigt het niet minder dramatische, roerende, ja onovertroffen

verhaal van koning Hredel.

Zijn oudste zoon Herebald is door diens broeder, Hadcyn, toevallig

bij het boogschieten gedood. Deze manslag eischt vergelding; dit is

de ijzeren wet.

Wat is aangrijpender dan de smart van den grijsaard, welke treurt

over het verlies van zijnen oudsten zoon!

Hij zal zich steeds bij elke morgenstonde

De heenvaart heugen van zijn vroegstgeboren;

Niet wenscht hij nog een ander erfbewaarder

Te ontbeiden in het binnenst van het burgslot.

Wie beseft niet den strijd, welke in zijn binnenste omgaat tusschen

zijnen plicht en zijn vaderhart; immers hij kan den dooder niet

straffen, want het is ook zijn zoon!

Want gruwlijk is 't den grijsaard om te ervaren,

Dat ginds zijn zoon, de jonge, rijdt aan 't galghout.

Dan moge hij 't weemoedig lied verheffen,

Den naren zang, wanneer zijn bloed daar bengelt,

De raaf tot lust, terwijl hij geene redding

Verleenen kan, bejaard en hoog van dagen. (2514-19)

Uit schaamte vlucht hij het bijzijn der menschen, verbergt hij zich

in de donkerste schuilhoeken zijner woning, want

het leek hem alles

Te ruim, en veld en woon. (2531)

De ontroostbare vader vindt slechts eene uitkomst in den dood:

In deze zorg, waardoor hem trof de ziekte,

Verliet hij toen der menschen lustgewemel

En zocht het licht van God. (2538-40)

Het is opmerkenswaardig, dat Beowulf nooit afbreuk gedaan heeft

aan zijne riddereer in het uitoefenen der wraak; hij maakt eene

loffelijke uitzondering op den algemeenen regel, hoe onverklaarbaar

dit ook schijne in een epos, dat in den grond heidensch is gebleven.

Hij smeedde nooit duistere plannen als Hengest, hij brak nooit zijn

gegeven woord als Ingeld en de vorige. Hij mag den dood met kalmte

te gemoet zien, want hij heeft zich in dit opzicht niets te verwijten:

(ik) zocht geen moordlist,

Noch legde menig eed af onrechtmatig.

Des mag ik mij, gekweld door stervenskwalen,

Om 't al verheugen, want de Heer der menschen

Zal mij den moord niet wijten van de magen. (2826-30)

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 23 / 137 题