Het is te betreuren, dat de vrouwen eene niet noemenswaardige
plaats in het gedicht innemen; hoe gaarne hadden wij gezien, dat de
eerbied voor de vrouw, waarvan Tacitus spreekt en welke zich in de
Nibelungen bij Siegfrieds liefde voor Kriemhilde bewaarheidt, ook
hier eene teedere snaar had doen trillen in die mannelijke harten;
doch troosten wij ons, want het schoone Fransche epos, la Chanson de
Roland, waar Aude eene vluchtige, schoon onvergetelijke rol vervult,
heeft dit met het Engelsch gedicht gemeen.
De waarheid eischt, hier niet voorbij te gaan, dat aan de jonkvrouw
«met samengebonden lokken» (3264), welke bij Beowulfs brandstapel haar
verloren levensgeluk bejammert, voorloopig nog niet de bewijsstukken
van wettige echtgenoote kunnen worden uitgereikt.
Doch kleven er geene smetten aan die schitterende heldengestalten,
die zoo blank voor ons opdoemen uit de grijze vergetelheid? Hebben
zij, evenals de personen uit de Nibelungen, geene trekken behouden
van de vroegere barbaarschheid?
Het antwoord luidt bevestigend.
Halen wij aan de verslaafdheid aan den drank, de plunderingen, waaraan
zich de Denen schuldig maken bij Hygelacs inval en bij Finns dood, de
schaking van Ongentheows echtgenoote door krijgsgeweld, doch vooral
de onverbiddelijke wraakzucht, die ook in de Nibelungen zoolang na
de invoering van het Christendom heeft stand gehouden.
Wij hebben het oog op de bloedwraak, dien vreeselijksten aller
hartstochten, geduchter dan de wraakgodinnen met hun «slingerslangig
haar», welke in de geschiedenis van alle volken, doch vooral bij de
Germaansche stammen thuis hoort.
Deze veete roept in het epos eenige tragische tooneelen te voorschijn,
die waardig zijn het vernuft van eenen Shakespeare te bekoren, zoo
groot zijn de als lava gloeiende driften, welke in de diepte woelen
onder de vluchtig aangestipte gebeurtenissen.
Bloedwraak is de heiligste plicht.
Sedert twaalf jaren hebben de Denen vruchteloos gepoogd, Grendel te
doen boeten voor den moord van eenige makkers; de dappersten schoten
daarin te kort.
Hoe dikwijls toch verbonden bij den bierkroes
Zich niet de krijgers, door het nat bedronken,
In deze drankzaal met de grijns der degens
Te willen wachten op den greep van Grendel. (485-88)
Ten langen leste heeft Hrodgar gebrek aan kampers, de veete heeft
van zelf uitgewoed, en de troonzaal blijft ledig. Op dit netelig
oogenblik verschijnt Beowulf en tuchtigt den misdadiger. Doch nu
treedt een tweede, niet minder duchtige tegenstander in het krijt:
't is Grendels moeder.
Nu daagde een ander machtig euveldader,
Het was zijn doelwit, zijnen zoon te wreken. (1663-64)
De grijze koning voorziet geen einde meer aan al die bloedtooneelen: