Hier ging zijn roem te loor, de roep der sterkte. (1498)

Het is te betreuren, dat de vrouwen eene niet noemenswaardige

plaats in het gedicht innemen; hoe gaarne hadden wij gezien, dat de

eerbied voor de vrouw, waarvan Tacitus spreekt en welke zich in de

Nibelungen bij Siegfrieds liefde voor Kriemhilde bewaarheidt, ook

hier eene teedere snaar had doen trillen in die mannelijke harten;

doch troosten wij ons, want het schoone Fransche epos, la Chanson de

Roland, waar Aude eene vluchtige, schoon onvergetelijke rol vervult,

heeft dit met het Engelsch gedicht gemeen.

De waarheid eischt, hier niet voorbij te gaan, dat aan de jonkvrouw

«met samengebonden lokken» (3264), welke bij Beowulfs brandstapel haar

verloren levensgeluk bejammert, voorloopig nog niet de bewijsstukken

van wettige echtgenoote kunnen worden uitgereikt.

Doch kleven er geene smetten aan die schitterende heldengestalten,

die zoo blank voor ons opdoemen uit de grijze vergetelheid? Hebben

zij, evenals de personen uit de Nibelungen, geene trekken behouden

van de vroegere barbaarschheid?

Het antwoord luidt bevestigend.

Halen wij aan de verslaafdheid aan den drank, de plunderingen, waaraan

zich de Denen schuldig maken bij Hygelacs inval en bij Finns dood, de

schaking van Ongentheows echtgenoote door krijgsgeweld, doch vooral

de onverbiddelijke wraakzucht, die ook in de Nibelungen zoolang na

de invoering van het Christendom heeft stand gehouden.

Wij hebben het oog op de bloedwraak, dien vreeselijksten aller

hartstochten, geduchter dan de wraakgodinnen met hun «slingerslangig

haar», welke in de geschiedenis van alle volken, doch vooral bij de

Germaansche stammen thuis hoort.

Deze veete roept in het epos eenige tragische tooneelen te voorschijn,

die waardig zijn het vernuft van eenen Shakespeare te bekoren, zoo

groot zijn de als lava gloeiende driften, welke in de diepte woelen

onder de vluchtig aangestipte gebeurtenissen.

Bloedwraak is de heiligste plicht.

Sedert twaalf jaren hebben de Denen vruchteloos gepoogd, Grendel te

doen boeten voor den moord van eenige makkers; de dappersten schoten

daarin te kort.

Hoe dikwijls toch verbonden bij den bierkroes

Zich niet de krijgers, door het nat bedronken,

In deze drankzaal met de grijns der degens

Te willen wachten op den greep van Grendel. (485-88)

Ten langen leste heeft Hrodgar gebrek aan kampers, de veete heeft

van zelf uitgewoed, en de troonzaal blijft ledig. Op dit netelig

oogenblik verschijnt Beowulf en tuchtigt den misdadiger. Doch nu

treedt een tweede, niet minder duchtige tegenstander in het krijt:

't is Grendels moeder.

Nu daagde een ander machtig euveldader,

Het was zijn doelwit, zijnen zoon te wreken. (1663-64)

De grijze koning voorziet geen einde meer aan al die bloedtooneelen:

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 21 / 137 题