Verre van zijne tegenstanders te beschimpen of te kleineeren, laat hij
hun recht wedervaren, al acht hij zich ook hun meerdere; dit bevinden
wij bij Brecca, wiens stoutmoedigheid en zeegehardheid door hem ten
volle erkend worden.
Hij geeft toe, dat Grendel wijdberoemd is door wapenfeiten (696)
en dat hij hem niet kon beletten te vluchten:
Ik kon hem, daar het God niet gunde,
Niet stuiten in de vlucht. Ik had zoo stevig
Hem geenszins vastgeklampt, den levensvijand. (980-82)
Zoo hij er het leven heeft afgebracht tegenover Grendels moeder,
dan is het dank aan hoogere tusschenkomst:
Mij was het strijden
Verhinderd schier, zoo God mij niet beschermd had. (1689)
Unferd is de eenige persoon, die door afgunst geprikkeld, zich tegen
de heuschheid bezondigt, welke hij aan de gasten verschuldigd is. Tot
verschooning kan aangevoerd worden, dat hij bedronken was.
't Is ook de man, die zich aan zijne bloedverwanten vergrepen heeft.
De gerechte straf blijft niet uit, al is het ook waar, dat hij later
berouw gevoelt en zijne handelwijze tracht te vergoelijken, met zijn
zwaard aan Beowulf te leenen. Voor hem is de ondankbare rol weggelegd;
want het stuit allen tegen de borst, dat een man, die zich zulke
aanmatigende taal veroorloofde en van wiens dapperheid zij eenen
hoogen dunk hadden, niet hetzelfde aandurft als Beowulf: