Goudgierig was hij niet. (3185)

Dit oordeel wordt door zijne daden bevestigd.

Bij de terugkomst uit de onderzeesche woning laat hij de schatten

onaangeroerd:

Niet meerder schatten

Ontvoerde uit deze woon de vorst der Gooten,

Ofschoon hij vele zag, dan 't hoofd te zamen

Met dat gevest van glimmend goud. (1643-46)

't Is waar, bij het zien van de juweelen uit het drakenhol springt

zijn hart op van vreugde, doch het is, omdat dit goud, dat hij met

zijn leven gekocht heeft, zijne lieden te goede zal komen:

Den Heer van alles weet ik dank met woorden,

Den Gloriegod, den eeuwigen Regeerder,

Voor al de schatten, die ik hier beschouwe;

Omdat ik deze, vóór mijn stervensstonde,

Erlangen mocht ten bate mijner mannen.

Ik gaf mijn oude leven voor den goudschat,

Nu lenigt gij de nooddruft van de lieden. (2889-95)

Welke edele taal in den mond van eenen heiden!

Wat edelmoedigheid betreft, staan Beowulfs mannen op hunne beurt niet

ten achter bij hunnen vorst.

Het zoo duur betaalde goud is te kostbaar om in vreemde handen over

te gaan; het zal aan Beowulf gewijd blijven en met hem verdwijnen:

Geen enkel stuk alleen zal met den stoute

Verteren; maar daar ligt die schat van tooisels,

Het reuzig goud zoo koen gekocht, die ringen

Ten laatste nog, betaald met eigen leven:

De vlamme zal 't verzwelgen, 't vuur bedekken. (3118-22)

Zelfs niet het geringste kleinood zal tot gedachtenis

overschieten! (3123-24)

De mannen dragen de kostbaarheden uit het hol en zij komen niet op

tegen het besluit, waardoor de hun door Beowulf toegedachte rijkdom

voor hen verloren gaat; en toch moest die verblindende pracht hun de

oogen uitsteken:

Niet een dien 't rouwde,

Toen zij in aller ijl naar buiten brachten

Den kostbren schat. (3243)

De drakeschat wordt in den grafheuvel neergelegd:

Zij lieten de aard der helden tooi behouden,

Het goud in 't zand, alwaar het zit tot heden,

Zoo nutteloos den mensch gelijk voorhenen.

Al komt bij Hagen uit de Nibelungen in somberder tonen en grooter

afmetingen de eigen dapperheid, de eigen doodsverachting en trouw

te voorschijn, hij treedt in de schaduw overal, waar het op adel van

gevoelens, op zedelijke ontwikkeling aankomt.

Hagen is nog de barbaar, die voor niets terugschrikt, zelfs niet voor

eenen sluipmoord; Beowulf is de beschaafde edelman, de ridder «zonder

vrees noch blaam».

Hij is geen woesteling, voor wien het vuistrecht tot hoogste wet

verheven is; integendeel hij is zachtaardig:

Niet was zijn inborst wild: de slaggeduchte

Bewaakte met de meeste macht eens menschen

De reuzengave, hem door God geschonken. (2238-40)

Doch geldt het den verdrukte te helpen, dan springt hij kloekmoedig

in de bres, dan stelt hij onvoorwaardelijk zijne reuzenkracht ter

beschikking van het goede recht, het komt er niet op aan, of de

ongelukkigen tot zijn eigen volk behooren of vreemdelingen zijn.

In gelijke mate als hij het gevaar voor zich zelven zoekt, tracht

hij de anderen er niet aan bloot te stellen.

Zoo weigert hij de hulp van de elf makkers, hij alleen zal het hoofd

bieden aan den draak:

Niet uwe taak is dit, niet toegemeten

Aan een der mannen, dan aan mij den ééne,

Dat hij met d'onheilstichter meet zijn sterkte

En ridderdaân verricht. (2606-9)

Hij zoekt niet de overmacht aan zijne zijde te hebben, ten einde

zoodoende de overwinning des te gemakkelijker te behalen.

Een verzoek doet hij aan Hrodgar; dit is, Grendel te mogen bestrijden

enkel en alleen met zijne Gooten:

U, hoofd der Helden-Denen,

U breng ik, schuts der Schyldings, ééne bede:

Dat gij, o wijk der wapenliên, niet weigert,

O Vriend des volks, nu 'k herwaarts toog van verre,

Dat ik alleen en dit mijn krijgsgeleide,

Dit moedig hoopje, Heorot moge zuivren. (429-34)

Hij acht het insgelijks beneden zich, den draak met een leger aan

te vallen:

De uitreiker van den ringensmuk versmaadde

Nochtans, den ommevlieger aan te tasten

Met strijders, met een uitgestrekte heermacht. (2410-12)

De grootmoedigheid drijft hij zelfs zoo ver, dat hij Grendel, de

belichaming van de domme kracht, wien alle edele gevoelens vreemd

zijn gebleven, nochtans de eer aandoet eenen ridderlijken tweekamp

aan te bieden.

De onverlaat is niet bedreven in den wapenhandel, bij gevolg zal de

held van het voordeel afzien, dat zijn zwaard hem verzekert:

Ik wil hem dus niet dooden met het wapen,

Hoe licht ik zulks vermag, van 't leven scheiden.

Hij kent de kampgewoonte niet van weder

Te schenken eenen slag, het schild te beuken,

Al is hij wijdberoemd door wapenfeiten.

Wij zullen dezen nacht aan 't zwaard verzaken,

Bestaat hij, zonder staal den kamp te kiezen. (692-98)

Zelfs is hij zoo teergevoelig op dit punt van eer, dat hij het noodig

acht zich te verontschuldigen, omdat hij met wapenrusting en schild

tegen den draak te velde trekt:

Maar hier verwacht ik mij op 't heete kampvuur,

Den wilden drang der vlam. Ik draag diensvolgens

Het schild en krijgerkleed. (2594-96)

Den zwakke hulp verleenen, en tegenover eenen gewetenloozen en

geduchten tegenstander aan alle rechtmatig voordeel verzaken: dat zijn

twee eigenschappen, waarom wij aan Beowulf eenen nieuwen adelbrief,

de ridderlijkheid, toekennen.

De taal bezit insgelijks het woord: eorl-scipe: ridderlijkheid;

eorlscipe efnan: ridderlijke daden volbrengen.

Deze ridderlijkheid is wel niet het uitsluitend eigendom der

Germanen, immers alle Arische volken (de Oudindische volkspoëzie

bewijst het) onderscheiden zich van de al te stoffelijke Semieten

door edelmoedigheid en heldhaftigheid; doch in geen volksepos is er

een held aan te wijzen, die, wat zedelijke grootheid betreft, onzen

Goot over het hoofd is gewassen. Beowulf mag onder dit opzicht gerust

de vergelijking met Homeros' helden doorstaan; zij zal niet in zijn

nadeel uitvallen.

Het faalt nog alleen aan den geest van het Christendom, om de

zedelijke waarde van dezen heiden, die, wonder genoeg, meer dan eens

zoo christelijk denkt, tot een nog hooger ideaal op te voeren.

Vermelden wij nog ter loops den eerbied voor den ouderdom, alsmede

Beowulfs rechtschapenheid, immers hij weigert den troon, hem door

Hygd aangeboden, en stelt zich tevreden met de waarneming van de

voogdijschap tijdens de minderjarigheid van Heardred; en gaan wij

over tot eenen laatsten karaktertrek, die den aangeboren ernst der

Oudengelsche helden schijnt te logenstraffen.

Müllenhoff legt aan Beowulf een gebrek ten laste, de grootspraak,

de ophemeling van eigen wapenfeiten.

En inderdaad de man verkneukelt zich bij de herinnering aan zijne

groote ondernemingen.

Reeds bij zijn eerste optreden aan het Denenhof geeft hij lucht aan

dien onweerstaanbaren aandrang:

Zij kenden toch de maat van mijne krachten;

Zij zagen zelven, hoe uit hinderlagen

Ik bontbebloed terugkwam van den vijand,

Alwaar ik vastgebonden had een vijftal,

Verdelgd het reuzenrot, bij nacht de nikkers

Bemeesterd in het midden van de baren,

Benarden nood beleefd, het leed der Weders

Gewroken (want zij duldden vele weeën)

't Vijandig volk vergruisd. (419-27)

Onzes inziens is hier niet zoozeer aan praalzucht te denken, als

wel aan een fier zelfbewustzijn, aan het vertrouwen op eigen kracht,

hetwelk aan de jeugd en dus ook aan jonge volken eigen is.

Het gedicht levert ons daarvan het bewijs in de uitdagingsrede,

de gilp-cwide, welke door het gebruik was voorgeschreven.

Bij eene ontluikende beschaving kon het slecht anders. De helden

zeggen de waarheid onbewimpeld, met volle overtuiging, in den eenvoud

des harten; terwijl diezelfde eenvoud een zeldzaam verschijnsel

is in onze verfijnde samenleving, welke slechts hoogmoed verbergt,

ofschoon zij, bij het streelen van de eigenliefde, zelfs den glimlach

van tevredenheid weet te onderdrukken.

Men voelt, dat de held het meent, dat hij er niets bijhangt; het

is geen opsnijder, geen lachwekkende miles gloriosus van het oude

blijspel.

Hij vreest zelfs, dat hij te ver gegaan is in de schildering van den

zwemwedstrijd en voegt daarom toe:

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 19 / 137 题