Dit oordeel wordt door zijne daden bevestigd.
Bij de terugkomst uit de onderzeesche woning laat hij de schatten
onaangeroerd:
Niet meerder schatten
Ontvoerde uit deze woon de vorst der Gooten,
Ofschoon hij vele zag, dan 't hoofd te zamen
Met dat gevest van glimmend goud. (1643-46)
't Is waar, bij het zien van de juweelen uit het drakenhol springt
zijn hart op van vreugde, doch het is, omdat dit goud, dat hij met
zijn leven gekocht heeft, zijne lieden te goede zal komen:
Den Heer van alles weet ik dank met woorden,
Den Gloriegod, den eeuwigen Regeerder,
Voor al de schatten, die ik hier beschouwe;
Omdat ik deze, vóór mijn stervensstonde,
Erlangen mocht ten bate mijner mannen.
Ik gaf mijn oude leven voor den goudschat,
Nu lenigt gij de nooddruft van de lieden. (2889-95)
Welke edele taal in den mond van eenen heiden!
Wat edelmoedigheid betreft, staan Beowulfs mannen op hunne beurt niet
ten achter bij hunnen vorst.
Het zoo duur betaalde goud is te kostbaar om in vreemde handen over
te gaan; het zal aan Beowulf gewijd blijven en met hem verdwijnen:
Geen enkel stuk alleen zal met den stoute
Verteren; maar daar ligt die schat van tooisels,
Het reuzig goud zoo koen gekocht, die ringen
Ten laatste nog, betaald met eigen leven:
De vlamme zal 't verzwelgen, 't vuur bedekken. (3118-22)
Zelfs niet het geringste kleinood zal tot gedachtenis
overschieten! (3123-24)
De mannen dragen de kostbaarheden uit het hol en zij komen niet op
tegen het besluit, waardoor de hun door Beowulf toegedachte rijkdom
voor hen verloren gaat; en toch moest die verblindende pracht hun de
oogen uitsteken:
Niet een dien 't rouwde,
Toen zij in aller ijl naar buiten brachten
Den kostbren schat. (3243)
De drakeschat wordt in den grafheuvel neergelegd:
Zij lieten de aard der helden tooi behouden,
Het goud in 't zand, alwaar het zit tot heden,
Zoo nutteloos den mensch gelijk voorhenen.
Al komt bij Hagen uit de Nibelungen in somberder tonen en grooter
afmetingen de eigen dapperheid, de eigen doodsverachting en trouw
te voorschijn, hij treedt in de schaduw overal, waar het op adel van
gevoelens, op zedelijke ontwikkeling aankomt.
Hagen is nog de barbaar, die voor niets terugschrikt, zelfs niet voor
eenen sluipmoord; Beowulf is de beschaafde edelman, de ridder «zonder
vrees noch blaam».
Hij is geen woesteling, voor wien het vuistrecht tot hoogste wet
verheven is; integendeel hij is zachtaardig:
Niet was zijn inborst wild: de slaggeduchte
Bewaakte met de meeste macht eens menschen
De reuzengave, hem door God geschonken. (2238-40)
Doch geldt het den verdrukte te helpen, dan springt hij kloekmoedig
in de bres, dan stelt hij onvoorwaardelijk zijne reuzenkracht ter
beschikking van het goede recht, het komt er niet op aan, of de
ongelukkigen tot zijn eigen volk behooren of vreemdelingen zijn.
In gelijke mate als hij het gevaar voor zich zelven zoekt, tracht
hij de anderen er niet aan bloot te stellen.
Zoo weigert hij de hulp van de elf makkers, hij alleen zal het hoofd
bieden aan den draak:
Niet uwe taak is dit, niet toegemeten
Aan een der mannen, dan aan mij den ééne,
Dat hij met d'onheilstichter meet zijn sterkte
En ridderdaân verricht. (2606-9)
Hij zoekt niet de overmacht aan zijne zijde te hebben, ten einde
zoodoende de overwinning des te gemakkelijker te behalen.
Een verzoek doet hij aan Hrodgar; dit is, Grendel te mogen bestrijden
enkel en alleen met zijne Gooten:
U, hoofd der Helden-Denen,
U breng ik, schuts der Schyldings, ééne bede:
Dat gij, o wijk der wapenliên, niet weigert,
O Vriend des volks, nu 'k herwaarts toog van verre,
Dat ik alleen en dit mijn krijgsgeleide,
Dit moedig hoopje, Heorot moge zuivren. (429-34)
Hij acht het insgelijks beneden zich, den draak met een leger aan
te vallen:
De uitreiker van den ringensmuk versmaadde
Nochtans, den ommevlieger aan te tasten
Met strijders, met een uitgestrekte heermacht. (2410-12)
De grootmoedigheid drijft hij zelfs zoo ver, dat hij Grendel, de
belichaming van de domme kracht, wien alle edele gevoelens vreemd
zijn gebleven, nochtans de eer aandoet eenen ridderlijken tweekamp
aan te bieden.
De onverlaat is niet bedreven in den wapenhandel, bij gevolg zal de
held van het voordeel afzien, dat zijn zwaard hem verzekert:
Ik wil hem dus niet dooden met het wapen,
Hoe licht ik zulks vermag, van 't leven scheiden.
Hij kent de kampgewoonte niet van weder
Te schenken eenen slag, het schild te beuken,
Al is hij wijdberoemd door wapenfeiten.
Wij zullen dezen nacht aan 't zwaard verzaken,
Bestaat hij, zonder staal den kamp te kiezen. (692-98)
Zelfs is hij zoo teergevoelig op dit punt van eer, dat hij het noodig
acht zich te verontschuldigen, omdat hij met wapenrusting en schild
tegen den draak te velde trekt:
Maar hier verwacht ik mij op 't heete kampvuur,
Den wilden drang der vlam. Ik draag diensvolgens
Het schild en krijgerkleed. (2594-96)
Den zwakke hulp verleenen, en tegenover eenen gewetenloozen en
geduchten tegenstander aan alle rechtmatig voordeel verzaken: dat zijn
twee eigenschappen, waarom wij aan Beowulf eenen nieuwen adelbrief,
de ridderlijkheid, toekennen.
De taal bezit insgelijks het woord: eorl-scipe: ridderlijkheid;
eorlscipe efnan: ridderlijke daden volbrengen.
Deze ridderlijkheid is wel niet het uitsluitend eigendom der
Germanen, immers alle Arische volken (de Oudindische volkspoëzie
bewijst het) onderscheiden zich van de al te stoffelijke Semieten
door edelmoedigheid en heldhaftigheid; doch in geen volksepos is er
een held aan te wijzen, die, wat zedelijke grootheid betreft, onzen
Goot over het hoofd is gewassen. Beowulf mag onder dit opzicht gerust
de vergelijking met Homeros' helden doorstaan; zij zal niet in zijn
nadeel uitvallen.
Het faalt nog alleen aan den geest van het Christendom, om de
zedelijke waarde van dezen heiden, die, wonder genoeg, meer dan eens
zoo christelijk denkt, tot een nog hooger ideaal op te voeren.
Vermelden wij nog ter loops den eerbied voor den ouderdom, alsmede
Beowulfs rechtschapenheid, immers hij weigert den troon, hem door
Hygd aangeboden, en stelt zich tevreden met de waarneming van de
voogdijschap tijdens de minderjarigheid van Heardred; en gaan wij
over tot eenen laatsten karaktertrek, die den aangeboren ernst der
Oudengelsche helden schijnt te logenstraffen.
Müllenhoff legt aan Beowulf een gebrek ten laste, de grootspraak,
de ophemeling van eigen wapenfeiten.
En inderdaad de man verkneukelt zich bij de herinnering aan zijne
groote ondernemingen.
Reeds bij zijn eerste optreden aan het Denenhof geeft hij lucht aan
dien onweerstaanbaren aandrang:
Zij kenden toch de maat van mijne krachten;
Zij zagen zelven, hoe uit hinderlagen
Ik bontbebloed terugkwam van den vijand,
Alwaar ik vastgebonden had een vijftal,
Verdelgd het reuzenrot, bij nacht de nikkers
Bemeesterd in het midden van de baren,
Benarden nood beleefd, het leed der Weders
Gewroken (want zij duldden vele weeën)
't Vijandig volk vergruisd. (419-27)
Onzes inziens is hier niet zoozeer aan praalzucht te denken, als
wel aan een fier zelfbewustzijn, aan het vertrouwen op eigen kracht,
hetwelk aan de jeugd en dus ook aan jonge volken eigen is.
Het gedicht levert ons daarvan het bewijs in de uitdagingsrede,
de gilp-cwide, welke door het gebruik was voorgeschreven.
Bij eene ontluikende beschaving kon het slecht anders. De helden
zeggen de waarheid onbewimpeld, met volle overtuiging, in den eenvoud
des harten; terwijl diezelfde eenvoud een zeldzaam verschijnsel
is in onze verfijnde samenleving, welke slechts hoogmoed verbergt,
ofschoon zij, bij het streelen van de eigenliefde, zelfs den glimlach
van tevredenheid weet te onderdrukken.
Men voelt, dat de held het meent, dat hij er niets bijhangt; het
is geen opsnijder, geen lachwekkende miles gloriosus van het oude
blijspel.
Hij vreest zelfs, dat hij te ver gegaan is in de schildering van den
zwemwedstrijd en voegt daarom toe: