Zoo moet een man in nood, een weerbre wezen. (2797)

Ofschoon hij voor den eersten keer ten strijde is uitgetrokken,

ofschoon de tien overige helpers, sinds lang beproefde krijgers,

op de vlucht zijn gegaan, toch deinst hij niet; het plichtgevoel

gebiedt hem zijnen heer ter hulp te snellen, te meer nu het ook zijn

bloedverwant is:

Niets blijkt zoo machtig om de bloedverwantschap

Bij hem, die koen gezind is, ooit te keeren. (2679-80)

Hij wil liever sterven, dan aan dien plicht te kort te schieten:

God weet van mij; mij ware 't wenschelijker,

Indien mijn lijf met mijnen schatuitdeeler

Het vuur omving. (2732-34)

Zijne redevoering, waarin hij al de grootheid zijner heldenziel heeft

neergelegd, is eene der schoonste bladzijden van het gedicht.

Een tooneel, het penseel eens schilders waardig, is dat van denzelfden

jongeling, die aan de zijde zijns vorsten en achter diens schild den

vuurspuwenden draak te lijf gaat.

Hiermede in overeenstemming is het latere gedrag van Wiglaf, de

vruchtelooze pogingen, die hij in het werk stelt om zijnen heer,

aan wiens dood hij niet kan gelooven, in het leven terug te roepen;

het onbetwiste gezag, waarmede hij met het oog op Beowulfs jongste

beschikkingen, de laatste maatregelen treft; doch vooral zijne

bestraffing van de lafaards, als deze beschaamd en zwijgend komen

aangedropen.

Geen grooter schande bestond er voor den krijgsman dan zijnen heer

in den steek te laten.

Men leze Wiglafs van verontwaardiging trillende redevoering. Vreeselijk

is de straf, welke de eerloozen zal treffen; men zal met hen handelen

als onlangs in Frankrijk geschied is met Dreyfus, den verrader:

zij worden uit de gemeenschap verbannen en dood verklaard, zij met

hunne bloedverwanten.

De schatuitdeeling met de zwaardgeschenken,

Het heele haardgenot en heil, 't zal alles

Ontbreken aan uw maagschap. Elk der mannen,

Verstoken van het landbezit der stammen,

Zal zwerven in het rond, zoodra de ridders

Vernemen uwe vlucht vanuit de verte,

Uw roemberoofde daad. De dood is beter

Voor ieder edelling dan 't smaadvol leven! (2986-93)

In het gansche gedicht wordt slechts eenmaal gewaagd van wrevel,

zooniet opstand, tegen den wettigen heer, nl. in de duistere episode

van Heremod, doch men houde wel in 't oog, dat wij hier met eenen

dwingeland te doen hebben, die het eerste begonnen was met zijne

plichten als gevolgsheer onder den voet te halen.

Even onberispelijk als de verhouding tusschen gevolgsheer en

gevolgsman, is die van de krijgers onder elkander. Het zijn

wapenbroeders in de volste beteekenis van het woord.

Bij zijnen wedstrijd in het zwemmen wil Beowulf Brecca niet moederziel

alleen aan zijn lot overlaten; daarom blijft hij gedurende 7 dagen

in zijne nabijheid, totdat de storm hen eindelijk uit elkander slaat.

In 't minste niet vermocht, ter zee gezwinder,

Hij door den vloed mij verre voor te bruisen,

Noch wilde ik zelve mij van hem verwijderen. (552-54)

Er wordt gewezen op de goede verstandhouding onder de Denen.

Hrodgar beveelt aan Wulfgar, de vreemdelingen aan de Deensche

krijgslieden voor te stellen:

Verzoek hen in te gaan en al te gader

Het broederbond te schouwen van de schare. (386-87)

Wealchtheow spreekt den wensch uit, dat Beowulf hare zonen met zijne

raadgevingen ter zijde zal staan, opdat dezelfde eensgezindheid

blijve heerschen.

Elk krijger hier is heel verknocht den andren

En mild van zin. (1248)

Deze vriendschappelijke betrekking bestaat ook tusschen de Denen en

hunne gasten; want verre van ijverzuchtig te zijn op de heldendaden van

de Gooten, erkennen zij hunne meerderheid. Zelfs nemen zij er geenen

aanstoot aan, als Beowulf met weinig diplomatische vrijmoedigheid

hun ronduit durft verklaren:

Maar Grendel heeft verstaan, dat hij de strijdzucht,

Den onbesuisden lansstorm uwer lieden

Niet zeer te duchten heeft. (607-9)

Dat pleit niet weinig voor de welwillende voorkomendheid, waarmede

de Denen hunne gasten bejegenden.

Hrodgar mag dus wel vóór het afscheid met volle vertrouwen verzekeren,

dat Denen en Gooten voortaan de handen broederlijk zullen ineenslaan,

zoodat de vriend of de vijand van het eene volk dit ook voor het

andere zal zijn:

De staalomwonden kiel zal over 't water

De gaven brengen met de gunstbewijzen.

Ik weet, dat tegenover vriend en vijand

Onscheidbaar is verknocht dees krijgerschare,

In alles zonder blaam, naar de oude zeden. (1905-9)

Beschouwen wij nu het karakter van de helden op zich zelf; wij zullen

er eene zedelijke ontwikkeling ontmoeten, die ons met verbazing

slaat. Al wat den mensch groot maakt, wat hem eenen onsterfelijken

naam verwerft, ziedaar het ideaal van den krijgsman, zooals het,

ontzagwekkend en vertrouwelijk beide, uit het epos te voorschijn

treedt.

Roemzucht is de voornaamste drijfveer van al de daden.

Nu wil ik, grijze wachter van de volken,

Nog eens 't geworstel zoeken, roem verwerven. (2584)

Zoo spreekt met jongelingsvuur de honderdjarige heerscher voor den

drakekamp.

Van kindsbeen af had Beowulf gezworen, zich boven de andere menschen

te zullen onderscheiden. In de hachelijkste stonde van zijn lange

leven herinnert hem Wiglaf daaraan:

Beste Beowulf,

Volvoer nu alles wel, gelijk gij vroeger

Gezegd hebt in uw jeugd: Gij zoudet nimmer

Uw eere laten zinken bij uw leven. (2745-48)

Dit voornemen staat hem altijd voor den geest; men luistere naar de

volgende fiere taal:

Dat hij behale,

Die daartoe is in staat, een naam vóór 't sterven!

't Is later 't beste voor d'ontlijfden krijger. (1413-15)

Ook stuurt Hrodgar hem toe na volbrachten arbeid:

Gij hebt verkregen,

Gij zelf door daden, dat uw roem zal duren

Altoos voor later tijd. (968-70)

Dit verlangen verbonden met een levendig plichtbesef, dat wij reeds bij

Wiglaf leerden op prijs stellen, zet tot handelen aan. Overheerschend

is deze begeerte naar roem; zij overwint alle aarzelingen, zet alle

beschouwingen ter zijde en wapent den held met doodsverachting.

Overwinnen of sterven is Beowulfs leus; het leven weegt voor hem niet

op tegen den roem:

Dit was mijn streven, toen ik steeg te water,

De kiel beklom met mijnen drom van dappren,

Dat ik den wensch uws volks ineens vervulde,

Of stortte in 't stof, omklemd door 's vijands klauwen.

Dus zal ik deze ridderdaad verrichten,

Of in de hal mijn laatsten dag beleven. (643-48)

Dezelfde gevoelens ontboezemt hij voor het gevecht met Grendels moeder

(1518) en met den draak (2609).

Het verdient opmerking, dat Beowulfs eergierigheid niet enkel

voortvloeit uit de zucht om zich zelven op te luisteren: er is nog

iets anders in het spel dan eigenliefde, hij laat zich leiden door

een hooger beginsel, de verheerlijking van zijn volk:

Maar spoedig gaat hem Gootenkracht en fierheid

In 't strijden staan. (613)

Beowulf zegt deze woorden alvorens Grendel te bevechten; zijn doel

is, de tegenstelling uit te doen komen tusschen zijn eigen volk en

de weerlooze Denen. Vandaar dat hij hunne hulp van de hand wijst.

Bij Hygelac weergekomen beroept hij zich wederom op het vaderlandsche

doel, dat hij voor oogen had bij al zijne ondernemingen:

Ik heb, mijn vorst, uw volk aldaar verheerlijkt

Door 't wapenfeit. (2150)

Dit streven naar roem, de springveer van alle groote daden, brengt

die zucht naar avonturen mede, waarvan de tocht naar Hrodgar het

klaarste blijk is:

Bekendheid in den vreemde blijft verkieslijkst

Te zoeken voor wie steunt op eigen sterkte. (1880-81)

De Noordsche volken hebben nimmer dezen grondtrek afgelegd. Er

valt nochtans een hemelsbreed onderscheid waar te nemen tusschen de

Noormannen, die hoofdzakelijk uit plunderzucht hunne strooptochten

ondernamen, en den held van het gedicht, die, verre van door zulke

lage beweegredenen gedreven te zijn, de zee oversteekt om Hrodgar

zijne hulp aan te bieden:

Hij zeide, dat hij zoo den krijgerkoning,

Den hoogen heerscher langs het zog der zwanen

Opzoeken zou, wien mangel was aan mannen. (203-5)

En wat verder:

Hrodgar kan ik wijzen

Grootmoedig 't middel, hoe de grijze en goede

Den vijand vleuglen zal. (280-82)

Hrodgar bevestigt dan ook, dat Beowulf hem «tot hulpbetooning»

heeft opgezocht.

Niets strijdt zoozeer met den geest van het gedicht als de

veronderstelling, dat Beowulf door gouddorst aangezet wordt. Bij de

vermelding van Hrodgars geschenken voegden wij reeds deze kantteekening

toe; het is hier de plaats dit wat nader toe te lichten.

De dichter spreekt onverholen over Beowulf het oordeel uit:

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 18 / 137 题