Ofschoon hij voor den eersten keer ten strijde is uitgetrokken,
ofschoon de tien overige helpers, sinds lang beproefde krijgers,
op de vlucht zijn gegaan, toch deinst hij niet; het plichtgevoel
gebiedt hem zijnen heer ter hulp te snellen, te meer nu het ook zijn
bloedverwant is:
Niets blijkt zoo machtig om de bloedverwantschap
Bij hem, die koen gezind is, ooit te keeren. (2679-80)
Hij wil liever sterven, dan aan dien plicht te kort te schieten:
God weet van mij; mij ware 't wenschelijker,
Indien mijn lijf met mijnen schatuitdeeler
Het vuur omving. (2732-34)
Zijne redevoering, waarin hij al de grootheid zijner heldenziel heeft
neergelegd, is eene der schoonste bladzijden van het gedicht.
Een tooneel, het penseel eens schilders waardig, is dat van denzelfden
jongeling, die aan de zijde zijns vorsten en achter diens schild den
vuurspuwenden draak te lijf gaat.
Hiermede in overeenstemming is het latere gedrag van Wiglaf, de
vruchtelooze pogingen, die hij in het werk stelt om zijnen heer,
aan wiens dood hij niet kan gelooven, in het leven terug te roepen;
het onbetwiste gezag, waarmede hij met het oog op Beowulfs jongste
beschikkingen, de laatste maatregelen treft; doch vooral zijne
bestraffing van de lafaards, als deze beschaamd en zwijgend komen
aangedropen.
Geen grooter schande bestond er voor den krijgsman dan zijnen heer
in den steek te laten.
Men leze Wiglafs van verontwaardiging trillende redevoering. Vreeselijk
is de straf, welke de eerloozen zal treffen; men zal met hen handelen
als onlangs in Frankrijk geschied is met Dreyfus, den verrader:
zij worden uit de gemeenschap verbannen en dood verklaard, zij met
hunne bloedverwanten.
De schatuitdeeling met de zwaardgeschenken,
Het heele haardgenot en heil, 't zal alles
Ontbreken aan uw maagschap. Elk der mannen,
Verstoken van het landbezit der stammen,
Zal zwerven in het rond, zoodra de ridders
Vernemen uwe vlucht vanuit de verte,
Uw roemberoofde daad. De dood is beter
Voor ieder edelling dan 't smaadvol leven! (2986-93)
In het gansche gedicht wordt slechts eenmaal gewaagd van wrevel,
zooniet opstand, tegen den wettigen heer, nl. in de duistere episode
van Heremod, doch men houde wel in 't oog, dat wij hier met eenen
dwingeland te doen hebben, die het eerste begonnen was met zijne
plichten als gevolgsheer onder den voet te halen.
Even onberispelijk als de verhouding tusschen gevolgsheer en
gevolgsman, is die van de krijgers onder elkander. Het zijn
wapenbroeders in de volste beteekenis van het woord.
Bij zijnen wedstrijd in het zwemmen wil Beowulf Brecca niet moederziel
alleen aan zijn lot overlaten; daarom blijft hij gedurende 7 dagen
in zijne nabijheid, totdat de storm hen eindelijk uit elkander slaat.
In 't minste niet vermocht, ter zee gezwinder,
Hij door den vloed mij verre voor te bruisen,
Noch wilde ik zelve mij van hem verwijderen. (552-54)
Er wordt gewezen op de goede verstandhouding onder de Denen.
Hrodgar beveelt aan Wulfgar, de vreemdelingen aan de Deensche
krijgslieden voor te stellen:
Verzoek hen in te gaan en al te gader
Het broederbond te schouwen van de schare. (386-87)
Wealchtheow spreekt den wensch uit, dat Beowulf hare zonen met zijne
raadgevingen ter zijde zal staan, opdat dezelfde eensgezindheid
blijve heerschen.
Elk krijger hier is heel verknocht den andren
En mild van zin. (1248)
Deze vriendschappelijke betrekking bestaat ook tusschen de Denen en
hunne gasten; want verre van ijverzuchtig te zijn op de heldendaden van
de Gooten, erkennen zij hunne meerderheid. Zelfs nemen zij er geenen
aanstoot aan, als Beowulf met weinig diplomatische vrijmoedigheid
hun ronduit durft verklaren:
Maar Grendel heeft verstaan, dat hij de strijdzucht,
Den onbesuisden lansstorm uwer lieden
Niet zeer te duchten heeft. (607-9)
Dat pleit niet weinig voor de welwillende voorkomendheid, waarmede
de Denen hunne gasten bejegenden.
Hrodgar mag dus wel vóór het afscheid met volle vertrouwen verzekeren,
dat Denen en Gooten voortaan de handen broederlijk zullen ineenslaan,
zoodat de vriend of de vijand van het eene volk dit ook voor het
andere zal zijn:
De staalomwonden kiel zal over 't water
De gaven brengen met de gunstbewijzen.
Ik weet, dat tegenover vriend en vijand
Onscheidbaar is verknocht dees krijgerschare,
In alles zonder blaam, naar de oude zeden. (1905-9)
Beschouwen wij nu het karakter van de helden op zich zelf; wij zullen
er eene zedelijke ontwikkeling ontmoeten, die ons met verbazing
slaat. Al wat den mensch groot maakt, wat hem eenen onsterfelijken
naam verwerft, ziedaar het ideaal van den krijgsman, zooals het,
ontzagwekkend en vertrouwelijk beide, uit het epos te voorschijn
treedt.
Roemzucht is de voornaamste drijfveer van al de daden.
Nu wil ik, grijze wachter van de volken,
Nog eens 't geworstel zoeken, roem verwerven. (2584)
Zoo spreekt met jongelingsvuur de honderdjarige heerscher voor den
drakekamp.
Van kindsbeen af had Beowulf gezworen, zich boven de andere menschen
te zullen onderscheiden. In de hachelijkste stonde van zijn lange
leven herinnert hem Wiglaf daaraan:
Beste Beowulf,
Volvoer nu alles wel, gelijk gij vroeger
Gezegd hebt in uw jeugd: Gij zoudet nimmer
Uw eere laten zinken bij uw leven. (2745-48)
Dit voornemen staat hem altijd voor den geest; men luistere naar de
volgende fiere taal:
Dat hij behale,
Die daartoe is in staat, een naam vóór 't sterven!
't Is later 't beste voor d'ontlijfden krijger. (1413-15)
Ook stuurt Hrodgar hem toe na volbrachten arbeid:
Gij hebt verkregen,
Gij zelf door daden, dat uw roem zal duren
Altoos voor later tijd. (968-70)
Dit verlangen verbonden met een levendig plichtbesef, dat wij reeds bij
Wiglaf leerden op prijs stellen, zet tot handelen aan. Overheerschend
is deze begeerte naar roem; zij overwint alle aarzelingen, zet alle
beschouwingen ter zijde en wapent den held met doodsverachting.
Overwinnen of sterven is Beowulfs leus; het leven weegt voor hem niet
op tegen den roem:
Dit was mijn streven, toen ik steeg te water,
De kiel beklom met mijnen drom van dappren,
Dat ik den wensch uws volks ineens vervulde,
Of stortte in 't stof, omklemd door 's vijands klauwen.
Dus zal ik deze ridderdaad verrichten,
Of in de hal mijn laatsten dag beleven. (643-48)
Dezelfde gevoelens ontboezemt hij voor het gevecht met Grendels moeder
(1518) en met den draak (2609).
Het verdient opmerking, dat Beowulfs eergierigheid niet enkel
voortvloeit uit de zucht om zich zelven op te luisteren: er is nog
iets anders in het spel dan eigenliefde, hij laat zich leiden door
een hooger beginsel, de verheerlijking van zijn volk:
Maar spoedig gaat hem Gootenkracht en fierheid
In 't strijden staan. (613)
Beowulf zegt deze woorden alvorens Grendel te bevechten; zijn doel
is, de tegenstelling uit te doen komen tusschen zijn eigen volk en
de weerlooze Denen. Vandaar dat hij hunne hulp van de hand wijst.
Bij Hygelac weergekomen beroept hij zich wederom op het vaderlandsche
doel, dat hij voor oogen had bij al zijne ondernemingen:
Ik heb, mijn vorst, uw volk aldaar verheerlijkt
Door 't wapenfeit. (2150)
Dit streven naar roem, de springveer van alle groote daden, brengt
die zucht naar avonturen mede, waarvan de tocht naar Hrodgar het
klaarste blijk is:
Bekendheid in den vreemde blijft verkieslijkst
Te zoeken voor wie steunt op eigen sterkte. (1880-81)
De Noordsche volken hebben nimmer dezen grondtrek afgelegd. Er
valt nochtans een hemelsbreed onderscheid waar te nemen tusschen de
Noormannen, die hoofdzakelijk uit plunderzucht hunne strooptochten
ondernamen, en den held van het gedicht, die, verre van door zulke
lage beweegredenen gedreven te zijn, de zee oversteekt om Hrodgar
zijne hulp aan te bieden:
Hij zeide, dat hij zoo den krijgerkoning,
Den hoogen heerscher langs het zog der zwanen
Opzoeken zou, wien mangel was aan mannen. (203-5)
En wat verder:
Hrodgar kan ik wijzen
Grootmoedig 't middel, hoe de grijze en goede
Den vijand vleuglen zal. (280-82)
Hrodgar bevestigt dan ook, dat Beowulf hem «tot hulpbetooning»
heeft opgezocht.
Niets strijdt zoozeer met den geest van het gedicht als de
veronderstelling, dat Beowulf door gouddorst aangezet wordt. Bij de
vermelding van Hrodgars geschenken voegden wij reeds deze kantteekening
toe; het is hier de plaats dit wat nader toe te lichten.
De dichter spreekt onverholen over Beowulf het oordeel uit: